― Of hij net zo’n literair genie is als Poesjkin.
John grinnikt en realiseert zich niet eens hoe sterk zijn ego gestreeld wordt door haar woorden. Nee, denkt hij. Niet alleen is zijn poëtische kennis van de klassieke Russen onder de maat, ook houdt hij niet van vergelijkingen.
“Iets kan pas in een goed perspectief gezien worden als het in de juiste context geplaatst wordt. Vergelijken is natuurlijk. Iets kan niet iets zijn zonder iets anders,” suggereert ze. “Ook al zou ik dat natuurlijk wel willen,” voegt ze er haastig aan toe.
John poogt de juiste woorden te vinden. Hij heeft voorbeelden en invloeden, maar hij wil het liefst geen namen aanhalen. Iemand die zichzelf op hetzelfde voetstuk plaatst als grootheden zoals Poesjkin of Brodsky ― dat is niet alleen gevaarlijk, maar ook beangstigend.
Hij schudt zijn hoofd.
“Nog koffie?” wenkt hij als de serveerster enthousiast langs dartelt. Ze knikt en glimlacht.
De situatie doet hem stiekem denken aan Hemingway. Mocht een onbekende hen zo zien, dan zou deze er een groot dramatisch verhaal omheen kunnen spinnen. Een Doornroosje die haar perfecte leventje langzaam aan elkaar spint van pluizige fantasie. Hij spint niet, hij leeft.
“Aan wat voor zaken ontleen je zoal je inspiratie?” werpt ze op, met een veelbetekenende blik. Hij ziet aan haar ogen dat ze iets verwacht ― iets moois. Hoe passief agressief: wel vreemdgaan, maar geen blik kunnen teleurstellen.
“Vrijwel onmogelijk te definiëren. Een kat, een fiets of een stad. Mensen, zelfs ook, soms. Maar het is geen object – het is een gevoel. Iets ultiem individualistisch dat ik probeer om te zetten in woorden, ritme en vorm.”
“Liefde, dus.”
“Eigenlijk niet.” Hij blaast langzaam zinnenprikkelende wolkjes sigarettenrook uit. Alsof hij direct uit een cultfilm is geslopen. De onbereikbare man pur sang.
“Alles is liefde. Hoe een hekel je er ook aan mag hebben ― het is overal.”
“Ik heb geen hekel aan liefde, waar je dat idee dan ook vandaan hebt.”
Ze haalt haar schouders op. “Het erkennen van een dictatoriale macht betekent nog niet dat je eraan toegeeft.”
Hij is koppig. “Nee.”
Ze vreest zijn angst voor haar. Als hij eens wist ― als zij eens haar gedachten had gewist.
De overeenkomst tussen hoop en wanhoop loert onvervaard als hij overweegt een einde aan de ontmoeting te maken. Een ervaren man, poëet zonder woorden, zoekt onbeschrijflijke vrouw om leven te beademen. Man ontvangt schalks rondzoekend meisje zonder ware Lolita-achtige leeftijd. Zijn hoop haalt verloren de schouders op.
Zonder hoffelijk te zijn houdt hij de deur voor haar open.
Lieflijk lacht ze haar lippen los en wappert haar de lucht in.
De februarinacht is koud en ruikt niet naar winter. Met de juiste belichting is hij een donkere machtige man uit criminele tijden, in zijn lange mantel. Ze draait zich niet om, kijkt hem niet diep in de ogen en raakt hem niet aan ― zelfs niet subtiel.
“Nou.” Hij zucht. “Dankjewel. Het was ― fijn.”
Ze knikt en kijkt hem aan. Een pokdalig gezicht leek nog nooit zo mooi en begeerlijk. Ze wil het voelen, hebben en nooit meer loslaten ― maar tegelijkertijd wil ze alles behalve hier zijn. Realiteit en nabijheid beangstigen haar meer dan ooit tevoren. Nu kan ze niet meer wegrennen. Het is te echt.
“Dag.”
Loom lijken de lippen over haar wang te lopen.
Belachelijke gedachtes vliegen door zijn hoofd.
Geen muziek of tintelingen ― slechts ruwe lippen die verdwaald lijken.
Haar hoofd denkt aan rationele dingen.
Hij wikt, weegt en verliest. De lippen zijn niet meer en hij kijkt haar aan. Ze probeert een houding te zoeken, maar nooit eerder stond ze in een donkere stad met een man die ze graag wilde hebben.
“Realiteit is vies,” oppert ze.
Hij knikt.
Pas nu ziet ze dat hij leren handschoenen draagt. Met een hoge hoed en een stok erbij ― spint haar geest.
Met haar bruine leren handschoenen pakt ze zijn rechterhand. Leer op leer. Door dierenhuid heen kloppend mensenlichaam voelen.
Hoe een mens veel verleidelijker is met kleren aan, zonder glimmende naaktheid ― zo teder is een aanraking zonder vel. Een muur van overleden koeien tussen fluisterende jongelingen.
“Morgen weer vroeg op,” probeert hij zich te verontschuldigen.
“Tot dan.” Ze laat zijn in handschoen gestoken hand los. Hij loopt.
Als ze zwaait voelt ze zich lullig.
Verstijfd kijkt ze toe hoe de donkere gedaante steeds verder bij haar vandaan loopt. Hij bewandelt de weg naar haar hart.
Iedere meter vergroot de afstand, de onbereikbaarheid ― iedere stap maakt hem meer begerenswaardig.
Poes kruipt onder zijn kin zodra zijn hoofd het kussen raakt. John zucht. Ook hij moet eens gaan leren spinnen.
Roos schrijft meer!
Roos schrijft meer: de verhalen.
Hier kan je de langere literaire werken van Roos lezen. Reken niet op korte vermakelijke columnstukjes zoals je ze kent van Roos Schrijft!
Hier plaatst Roos de verhalen, novelles, korte romans, fragmenten uit romans of al het overig werk dat wat langer van stof is.
maandag, februari 20
zaterdag, januari 7
De definitie van liefde
MY Love is of a birth as rare
As 'tis, for object, strange and high;
It was begotten by Despair,
Upon Impossibility.
Magnanimous Despair alone
Could show me so divine a thing,
Where feeble hope could ne'er have flown,
But vainly flapped its tinsel wing.
Andrew Marvell "The Definition of Love"
Veel mannen heten Joost en hij is er een van. Hij tikt met zijn vingertoppen op zijn been. Een nutteloze bezigheid waarmee hij onbewust aan de rest van zijn coupé wil laten zien dat hij ergens te laat voor is. Die giechelende meisjes een paar banken verder mogen het jammer vinden dat ze niet meteen kunnen winkelen, maar een man zoals hij heeft verplichtingen. Sommige mensen kunnen plannen, die nemen altijd een trein eerder dan een trein die precies op tijd aankomt. Hij niet. Vandaag moet hij eraan geloven, want hij is veel te laat.
Hij realiseert zich niet eens dat hij een begerenswaardige baan heeft. Met nonchalante willekeur is Joost eigenlijk in zijn huidige positie gegleden. Het kwam zo uit. Hij is een praktisch mens, hij laat zaken op zijn beloop en ziet wel hoe het gaat. Geen echte vechter. Geen individu met zeldzame passie voor een enkel aspect van het leven.
Joost is lid van de afdeling Middelnederlands aan de universiteit. Hij vindt een soort van ledige rust in het doen van onderzoek. Maar hij is een man. Het is zijn geslacht niet eigen om enthousiaste, hoge kreten uit te slaan en een rozige blos op de wangen te krijgen wanneer het zich in zijn element voelt.
Nu is hij te laat voor een afspraak met een student van een vak dat hij geeft. Als invaller weliswaar, maar dat doet zijn prestaties geenszins te niet. Hij is best goed met mensen, maar op zo'n manier dat niemand het door heeft. Joost vraagt zich af of de student in kwestie nog wel blijft wachten. Als hij zich het goed herinnert, was het iemand die de vorige keer zijn kamer niet kon vinden.
De universiteit is gevestigd in oude sfeervolle gebouwen die als gebrek hebben dat de kamernummering meer weg heeft van een willekeurige doolhof dan van enige systematiek. Niet dat hij les geeft aan eerstejaars – nee, zijn vak is een casus waar zich grotendeels deeltijd studenten voor hebben ingeschreven.
Ze heeft meer Joosten gekend dan dat eigenlijk goed voor haar is. De eerste Joost was een jeugdliefde, een aaneenschakeling van halfslachtige tekenen van intimiteit. Het leverde haar uiteindelijk niets op. Hij was de eerste echte Joost in haar leven en zodoende had zijn voornaam sindsdien een negatieve connotatie. De Joosten die daarop volgden deden niets om iets aan deze reputatie te veranderen.
Nu wordt haar wederom duidelijk dat iemand die Joost heet eigenlijk bij voorbaat maar beter bij haar vandaan kan blijven. Al een kwartier staat ze bij zijn kamer te wachten - de juiste, deze keer. Ze is wat vroeg, maar van haar docent is nog niets te zien. Wanhopig leest ze een boek over Engelse syntaxis om de rampscenario's uit haar hoofd te bannen. Het lezen lukt niet.
Ze kijkt op haar horloge. Tien over half elf. Ze had met hem een afspraak om half elf. Officieel zou ze al spoedig naar een college moeten, dus word ze enigszins ongeduldig. De meest onwaarschijnlijke dramatische voorvallen drijven al voor haar geestesoog langs - het niet schrijven van een acceptabel onderzoek en het falen van dit vak.
Haar ratio probeert haar te kalmeren. Rustig ademen, gewoon nog even wachten, het is nog niet zo laat. Hoe logisch een vertraging ook klinkt, het lijkt haar zo onwaarschijnlijk dat het nu precies haar zou moeten overkomen. Hij gaat toch ook op tijd weg?
Met een diepe zucht kijkt ze nogmaals op haar horloge. Het schreeuwt wanhopig dat het al kwart voor elf is geweest. Ze vermaant zichzelf om nog éven te blijven wachten. Als hij er dan nog niet is, gaat ze weg.
Als ze wederom een poging waagt een zin uit haar boek te lezen, hoort ze stappen. Ze naderen haar in ongekende snelheid, want voor dat ze er erg in heeft komt hij hijgend de hoek om. Een sjaal om zijn nek geslagen, zoals alleen serieuze mensen met belangrijke banen in ultieme haast kunnen hebben. De blos, zo onmiskenbaar voor haast.
Hij glimlacht en verontschuldigt zich – de trein had vertraging. Haar hart doet een hink-stap-sprong in haar borstkas, maar ze is al lang blij dat hij er is en dat ze niet weer bij een verkeerde kamer stond.
Nog steeds lichtelijk hijgend opent hij de deur met zijn sleutel. Ze noteert in haar hoofd dat hij er zo universitair uitziet – wat vaak synoniem is voor geniaal, maar zonder fashion sense. Dat is wat haar zo van de universiteit doet houden. Iedereen is er zo briljant, maar ook zo lelijk eigenzinnig. Excentriciteit is wat de bijzondere mens van het kuddedier onderscheidt.
Terwijl ze op een stoel tegenover zijn bureau gaat zitten doet hij zijn donkerrode jasje uit. Zij heeft haar winterjas al aan – als officiële koukleum. Ze realiseert zich opeens dat mannen in haar omgeving minder last lijken te hebben van externe weersomstandigheden.
Als hij begint te praten over haar onderzoek en haar opzet, dringt het pas tot haar door dat ze zich niet eens zo goed heeft voorbereid. Door al die stress was ze het doel van het gesprek geheel uit het oog verloren.
“We moeten wel een beetje haast maken – om elf uur heb je weer college, toch?” vraagt hij.
“Nou, ik heb iets kunnen veranderen en ga ik pas om twaalf uur. Tijd zat.”
Als ze bijna drie kwartier later zijn kamerdeur achter zich dicht doet voelt ze het opborrelen.
[Cumulatief resultaat van Feuilleton.]
As 'tis, for object, strange and high;
It was begotten by Despair,
Upon Impossibility.
Magnanimous Despair alone
Could show me so divine a thing,
Where feeble hope could ne'er have flown,
But vainly flapped its tinsel wing.
Andrew Marvell "The Definition of Love"
Veel mannen heten Joost en hij is er een van. Hij tikt met zijn vingertoppen op zijn been. Een nutteloze bezigheid waarmee hij onbewust aan de rest van zijn coupé wil laten zien dat hij ergens te laat voor is. Die giechelende meisjes een paar banken verder mogen het jammer vinden dat ze niet meteen kunnen winkelen, maar een man zoals hij heeft verplichtingen. Sommige mensen kunnen plannen, die nemen altijd een trein eerder dan een trein die precies op tijd aankomt. Hij niet. Vandaag moet hij eraan geloven, want hij is veel te laat.
Hij realiseert zich niet eens dat hij een begerenswaardige baan heeft. Met nonchalante willekeur is Joost eigenlijk in zijn huidige positie gegleden. Het kwam zo uit. Hij is een praktisch mens, hij laat zaken op zijn beloop en ziet wel hoe het gaat. Geen echte vechter. Geen individu met zeldzame passie voor een enkel aspect van het leven.
Joost is lid van de afdeling Middelnederlands aan de universiteit. Hij vindt een soort van ledige rust in het doen van onderzoek. Maar hij is een man. Het is zijn geslacht niet eigen om enthousiaste, hoge kreten uit te slaan en een rozige blos op de wangen te krijgen wanneer het zich in zijn element voelt.
Nu is hij te laat voor een afspraak met een student van een vak dat hij geeft. Als invaller weliswaar, maar dat doet zijn prestaties geenszins te niet. Hij is best goed met mensen, maar op zo'n manier dat niemand het door heeft. Joost vraagt zich af of de student in kwestie nog wel blijft wachten. Als hij zich het goed herinnert, was het iemand die de vorige keer zijn kamer niet kon vinden.
De universiteit is gevestigd in oude sfeervolle gebouwen die als gebrek hebben dat de kamernummering meer weg heeft van een willekeurige doolhof dan van enige systematiek. Niet dat hij les geeft aan eerstejaars – nee, zijn vak is een casus waar zich grotendeels deeltijd studenten voor hebben ingeschreven.
X
Ze heeft meer Joosten gekend dan dat eigenlijk goed voor haar is. De eerste Joost was een jeugdliefde, een aaneenschakeling van halfslachtige tekenen van intimiteit. Het leverde haar uiteindelijk niets op. Hij was de eerste echte Joost in haar leven en zodoende had zijn voornaam sindsdien een negatieve connotatie. De Joosten die daarop volgden deden niets om iets aan deze reputatie te veranderen.
Nu wordt haar wederom duidelijk dat iemand die Joost heet eigenlijk bij voorbaat maar beter bij haar vandaan kan blijven. Al een kwartier staat ze bij zijn kamer te wachten - de juiste, deze keer. Ze is wat vroeg, maar van haar docent is nog niets te zien. Wanhopig leest ze een boek over Engelse syntaxis om de rampscenario's uit haar hoofd te bannen. Het lezen lukt niet.
Ze kijkt op haar horloge. Tien over half elf. Ze had met hem een afspraak om half elf. Officieel zou ze al spoedig naar een college moeten, dus word ze enigszins ongeduldig. De meest onwaarschijnlijke dramatische voorvallen drijven al voor haar geestesoog langs - het niet schrijven van een acceptabel onderzoek en het falen van dit vak.
Haar ratio probeert haar te kalmeren. Rustig ademen, gewoon nog even wachten, het is nog niet zo laat. Hoe logisch een vertraging ook klinkt, het lijkt haar zo onwaarschijnlijk dat het nu precies haar zou moeten overkomen. Hij gaat toch ook op tijd weg?
X
Met een diepe zucht kijkt ze nogmaals op haar horloge. Het schreeuwt wanhopig dat het al kwart voor elf is geweest. Ze vermaant zichzelf om nog éven te blijven wachten. Als hij er dan nog niet is, gaat ze weg.
Als ze wederom een poging waagt een zin uit haar boek te lezen, hoort ze stappen. Ze naderen haar in ongekende snelheid, want voor dat ze er erg in heeft komt hij hijgend de hoek om. Een sjaal om zijn nek geslagen, zoals alleen serieuze mensen met belangrijke banen in ultieme haast kunnen hebben. De blos, zo onmiskenbaar voor haast.
Hij glimlacht en verontschuldigt zich – de trein had vertraging. Haar hart doet een hink-stap-sprong in haar borstkas, maar ze is al lang blij dat hij er is en dat ze niet weer bij een verkeerde kamer stond.
Nog steeds lichtelijk hijgend opent hij de deur met zijn sleutel. Ze noteert in haar hoofd dat hij er zo universitair uitziet – wat vaak synoniem is voor geniaal, maar zonder fashion sense. Dat is wat haar zo van de universiteit doet houden. Iedereen is er zo briljant, maar ook zo lelijk eigenzinnig. Excentriciteit is wat de bijzondere mens van het kuddedier onderscheidt.
Terwijl ze op een stoel tegenover zijn bureau gaat zitten doet hij zijn donkerrode jasje uit. Zij heeft haar winterjas al aan – als officiële koukleum. Ze realiseert zich opeens dat mannen in haar omgeving minder last lijken te hebben van externe weersomstandigheden.
Als hij begint te praten over haar onderzoek en haar opzet, dringt het pas tot haar door dat ze zich niet eens zo goed heeft voorbereid. Door al die stress was ze het doel van het gesprek geheel uit het oog verloren.
“We moeten wel een beetje haast maken – om elf uur heb je weer college, toch?” vraagt hij.
“Nou, ik heb iets kunnen veranderen en ga ik pas om twaalf uur. Tijd zat.”
Als ze bijna drie kwartier later zijn kamerdeur achter zich dicht doet voelt ze het opborrelen.
[Cumulatief resultaat van Feuilleton.]
zondag, juni 5
Gevonden
Two in a million
Wat als Helena
zelf had moeten vechten
voor haar liefde.
De klokkentoren op het plein in Praag sloeg gestaag drie uur. Toeristen lieten hun camera’s herhaaldelijk flitsen. Op een terras in het midden van het plein zat een man samen met een meisje. Hij bestelde een koffie, zij ijsthee. Het was een warme dag.
“Mooi, hè, hier,” merkte de man op.
“Ja.”
“Wil je vanavond nog in dat restaurant bij de opera eten?”
“Zeker wel,” glimlachte het meisje. Hij nam een slok van zijn koffie.
“Goede koffie, hier.”
“Oja?”
“Beter dan thuis.”
Ze gromde. “Deze ijsthee is anders ook lekker.”
De man zette zijn zonnebril op.
“En Mucha is fantastisch hè?”
“Niet zo mijn ding,” zei hij.
Met grote ogen staarde ze hem aan. “Hoe kan je Mucha nu niet goed vinden?”
“Ik zei niet dat ik hem niet goed vond. Ik zei alleen maar dat hij niet mijn smaak is.”
Ze zette haar glas met een harde klap op de tafel neer.
“Ik denk dat ik straks maar die rondleiding ga volgen.”
“Maar die duurt wel drie uur,” las hij van een folder.
“Dan ga je toch niet mee.”
“Maar ik wil wel mee,” sprak hij nadrukkelijk.
“Ik weet het. Maar je kunt nu eenmaal niet mee.”
“Ik weet het,” fluisterde ze.
*
Hij zuchtte. “Ik merk het aan je. Het gaat zo niet langer.”
Ze probeerde te knikken, maar haar de spieren in haar nek weigerden.
“Je moet gaan. Het moet.”
“Nee,” gromde ze nadrukkelijk. “Dan is het weg. Ik wil verdomme niet dat het weg is.”
I
Het donkere halflange haar waar ik minutenlang gefascineerd naar kon staren. Als hij serieus voorover gebogen essays na zat te kijken. Hoe zijn kaaklijn iets meer naar voren stond, waardoor hij altijd zo vertederend zijn lippen op elkaar kon doen. Terwijl ik zo naar hem zat te kijken, leek ik zelf op te houden met bestaan. Totdat hij mij aan zou kijken, met zo'n stiekem glimlachje op zijn gezicht. Natuurlijk had hij best mijn vader kunnen zijn, maar dat was hij niet. En dat was alles wat er toe deed.
Hoe hij dan opstond, vluchtig zijn spullen in zijn tas stopte en mij speels wenkte mee naar huis te gaan. Het was zijn huis, waar ik eigenlijk niet thuis kon horen. Hoe wij dan samen op de bank kropen, waar wij elkaar verhit zoenden, grepen en uiteindelijk uitgeput op elkaar neervielen. Dat ik dan ’s avonds laat zijn huis uitsloop en nog snel de laatste trein naar huis probeerde te halen. Op zulke momenten zakte de moed mij in de schoenen. Ik kon niet met deze ontmoetingen doorgaan. Maar als ik dan de volgende ochtend bij het passeren van elkaar in de gang zijn handen vluchtig op mijn lichaam voelde, wilde ik niets liever.
“Lieverd,” fluisterde hij zachtjes. Hij wist dat ik bezweek aan zijn Britse stemklank en zijn lippen dichtbij mijn oor. Ik zuchtte, hij kende mij veel te goed.
“Het gaat toch goed?” zei hij en ging weer achter zijn bureau zitten.
“Nee, helemaal niet. Ik meer om je dan goed voor me is.” Ik was naar zijn stoel gelopen en op zijn schoot gaan zitten.
“Dus?” Hij keek mij vragend aan. Alsof hij echt niet doorhad wat voor een probleem dat was.
“Je wilt niet weten hoe ik dan ben. Dan ga eisen, irreële dingen.”
“Zoals?”
Diep zuchtte ik en dacht wanhopig terug aan een vorige relatie. “Het gaat gewoon niet. Dit is pure zelfbescherming, als ik dit niet doe, ga ik stuk.” Ik beet op mijn lip. Deze daad zou mijn trots moeten aanwakkeren, maar het enige wat ik voelde was pijn. Ik wilde helemaal niet bij hem weg.
“Als dit is wat je wilt zal ik je niet tegenhouden.” Hij streelde mijn rug en keek me te diep in de ogen. Waarom leek juist nu alles zo mooi? Ik moest mezelf met moeite herinneren aan het stilletjes verlaten van zijn huis. Hoe verloren en afgedankt ik mij iedere keer voelde. “Maar ik zal je missen, lieverd.”
“Ik jou ook. Meer dan dat je je kan indenken.” Nog een keer keek ik hem aan met die liefdevolle blik die ik hem zo vaak had toegeworpen als we elkaar op de faculteit tegen het lijf liepen. Waarna ik dan met een serieus en ondeugend gezicht op de deur van zijn kamer zou kloppen, met een vraag over mijn essay. Hoeveel vragen ik over dat ene essay wel niet had gesteld.
“Je weet me te vinden, als je me nodig hebt,” zei hij nog met een blik van empathie waaruit ik overmatige bezorgdheid opmaakte. Alsof ik niet zonder hem kon leven.
Bijtend op mijn lip hief ik mijn hand op bij wijze van afscheidsgroet. Of hij me nog nakeek weet ik niet, omkijken bij afscheid vergroot het leed alleen maar. Daar had ik al genoeg van. Hoewel verblind door mijn tranen wist ik mij een weg te vinden naar het station. Waarom ik niet een einde aan alles maakte? Omdat ik helemaal niets meer wist. Ergens in mij zat nog wel een overblijfsel aan iets voordat ik Simon ontmoette, maar het deed er niet meer toe. Hij was mijn geluk geweest, maar bij voorbaat al met een korte houdbaarheidsdatum.
II
Ze voelde de kille harde stenen niet eens tegen haar hoofd aanschuren. De enige gewaarwording was die van warme vochtige lippen die de hare omsloten. Hoe lang was de liefde wel niet geleden. Handen die haar lichaam pas voor het eerst op deze manier aanraakten. Het was zo overdonderend echt. Niettegenstaande had ze honger en kon ze hem niet loslaten. Na al die tijd had ze het nodig. Hard liefhebben, net zolang totdat het pijn doet.
Ze voelde zijn schouders, zijn armen en de onregelmatige ademhaling in haar oor. Deze was echt, hij ging niet weg. Bijna angstig hield ze hem dicht tegen zich aan.
“Simon, ik wil niet dat je weggaat,” fluisterde ze.
“Tuurlijk niet,” glimlachte hij in het donker. Hij kuste haar. “Ik ga nergens heen.”
“Ik kan niet meer,” stamelde ze en stortte zich in zijn armen. In haar zoenen proefde hij haar tranen. Hij had haar gemist. Ze duwde hem tegen de muur aan, eisend.
“Over een half uur moet ik college geven,” fluisterde hij tussen haar hongerige lippen door.
“Heb je nodig,” was alles dat ze nog kon uitbrengen voordat ze haar shirt haastig van zich afschudde. Nog nooit waren ze zo gretig geweest. Al die weken die voorbij waren gegaan werden nu in deze ene ontmoeting gewrongen. Het werd er niets minder van.
Ze waren verblind van verlangen. Pas toen ze uitgeput op het bureau lagen werd ze zich weer bewust van de situatie. Ze zuchtte.
“Waarom doe ik dit toch?”
“Je hebt me nodig.” Hij raapte zijn overhemd van de grond.
“Nee, ik heb je helemaal niet nodig!” Ze gaf hem zijn riem aan.
“Waarom ben je hier dan?”
“Gewoon.” Ze deed zijn stropdas om.
“Je rende net mijn armen in. Of was dat om te bewijzen hoe goed je zonder me kunt?”
“Hou op. Ik kan er niet tegen. Ik weet het niet. Ik mis je.”
Hij kuste haar zachtjes. Ze rook in zijn nek de verslavende combinatie van zijn after shave en de geur net vrijgekomen van zijn lichaam.
“Ik mis jou ook. Kom terug.”
“Nee. Het gaat beter. Ik heb een vriend, een echte.”
“Maar niet genoeg?” Ze haatte zijn vraag die alles zo goed leek samen te vatten. Waarom had ze niet voldoende, waarom moest ze toch terug naar hem?
“Wel,” zei ze koppig. “Het is genoeg. Alleen, ik moest gewoon nog zien, wat ik voor je voelde.”
“Oh,” hij slikte. “En?”
“Niks, helemaal niets.” Even verbijsterde haar eigen situatie haar. Zij die twijfelend voor de mooiste, bijzonderste en meest onbereikbare man die ze kende, stond. En ze kon alleen maar ontkennen. Maar hoe plots ze zich het realiseerde, hoe snel het weer verdwenen was. Het waren weer Simon en zij.
“Ik ga.” Haastig vluchtte ze zijn kamer uit.
“Je vergeet je-” riep hij haar nog na, maar ze was de gang al uit. Daar stond hij, met een keurig gevouwen stropdas en een riem in zijn broek, maar zijn gulp open. Met haar roze hemdje in zijn hand.
“-hart,” maakte hij zijn zin af.
III
Ze staarde uit het open raam om in de regen zijn gezicht te herkennen. Haar laatste poging hem te hervinden was al meer dan een maand geleden geweest. Stiekem sloot ze haar ogen om zich een voorstelling te maken van hoe hij college gaf met zijn trouwring om. Terwijl zij hem heimelijk hunkerend bekeek. Hoe zijn overhemd nonchalant over de band van zijn broek hing. De krijtstreepbroek waar zij altijd zo dol op was. Hoe hij zijn handen vaak in zijn broekzakken stak. Hoe zij achter hem ging staan, zijn armen tot in zijn zakken traceerde, hij zijn hoofd omdraaide en haar vragend zoende. Een verzoek tot meer.
“Roos?”
“Simon,” prevelde ze.
“Ja,” antwoordde hij.
“Oh,” verzuchtte ze. “Jij bent ‘t.” Hij kwam naast haar in de vensterbank zitten en streelde haar blonde haren.
“Natuurlijk ben ik het.” Zijn blonde haren waaiden zachtjes met de wind mee.
Zwak zonlicht scheen de slaapkamer binnen. Als ze niet teleurgesteld was geweest door het lichaam dat naast haar lag, was het een mooie ochtend geweest. Eigenlijk was er niets mis aan hem. Hij was zelfs bijzonder mooi. Waarom konden haar gedachten dan alleen maar dwalen naar die ander zijn uitvallende haren, zijn ongezonde rookgewoonte en ruwe handen?
Het lichaam naast haar begon te ontwaken. Zo zachtjes mogelijk kroop ze uit bed, zocht ze haar kleren bij elkaar en ging ze de trap af. Met haar jaarkaart krampachtig in haar palm geklemd zocht ze de dichtstbijzijnde bushalte op.
Alles was begonnen toen ze Simon Cook voor het allereerst had gezien, op de introductieweek van haar studie. Toen al had ze zichzelf zachtjes toegefluisterd dat ze hem wilde hebben. Toen wist ze het al, dat ze niet om hem heen kon, hoe hard ze ook zou proberen. Soms verachtte ze haar eigen zelfkennis. Heel lang was het goed gegaan. Totdat ze op een punt was aangekomen waarop ze alleen nog maar vastberaden kon zijn. Het had niets met uiterlijk te maken, maar met die kolkende massa van lust die ze niet meer kon controleren.
“Hij wordt van mij, dat beloof ik je,” had ze zelfs in een overmoedige bui tegen Leonie gezegd. Ironie en zelfspot bevatten vaak een kern van waarheid, zo had ze geleerd tijdens Moderne Letterkunde. Of het nu de joint was die ze die avond daarvoor had meegekregen, of dat ze voor deze keer eens echt assertiviteit bezat, was niet duidelijk. Ze was zijn kamer ingestapt en had hem een harde kus op zijn lippen gedrukt. Ze had nog beleefd gedag gemompeld, voordat ze deur achter zich had gesloten.
Op Hoog Catharijne nam ze de afslag die ze de voorgaande jaren zo vaak bewandeld had, op weg naar college. De Dom schreeuwde haar toe dat het nog veel te vroeg was, half acht.
In een oud gerafeld overhemd deed hij de deur open. Hij had nog liggen slapen.
“Wat doe je hier?” fluisterde hij.
“Bij jou willen zijn.” Ze staarde naar de stoeptegels die haar ook leken te haten.
“En je Simon dan?”
“Ik ben zo alleen, zonder je.”
Hij zuchtte.
Hij kon haar zo nonchalant liefhebben. Zijn hele bestaan was iets nonchalants. Alsof het puur toeval was dat hij bestond. Alsof hij het niet kon helpen wie hij was en wat hij deed. Al het andere viel in het niet. Als hij ooit voor een rechtbank zou moeten verschijnen zou niemand hem aansprakelijk achten. Omdat hij gewoon niet in staat was iets anders te zijn dan dat hij was.
Was iets buiten zijn natuurlijke context om nog wel datzelfde iets? Simon zonder pak, stapels essays, verwilderde blikken en zijn Dr. Zou ze zich nog net zo gewillig op zijn bureau laten nemen als er geen man in zijn machtspositie tussen haar benen had gestaan? Zonder referentiekader misschien niet eens een referentie.
Hij was niet de man die je mee zou nemen naar een zorgvuldig gekozen weekend Parijs. Zijn bestemming zou een ongelukkig gekozen toeval zijn. Als ze ergens doorheen reden zou hij zomaar de auto voor een lokaal hotel parkeren. Alwaar zij dan sputterend de auto uitklom. “Maar ik heb morgen college Victorian detectives!” riep ze dan tegenstribbelend. Hoe hij haar dan de allesbeslissende zoen op de lippen drukte en haar Sir Conan Arthur Doyle gestolen kon worden. Studies stonden niet in verhouding tot Simon.
Soms probeerde een onwetende jongeling haar een knipoog toe te werden, aannemend dat haar partner haar vader was. Het deed haar dan een groot plezier vlak voor deze jongen zijn neus een plagende zoen van Simon af te troggelen. Dan was de toeschouwer er wel snel vandoor.
“Vind je dat nou zo leuk?” had hij gevraagd.
“Ik vind jou zo leuk.”
Hij had haar stilletjes binnen gevraagd, warme koffie in haar handen gedrukt haar vastgehouden. Zij was naar binnen gestapt, had de koffie opgedronken en snoof zijn warmte op.
“Hoe ik jou mis.”
“Hoe jij mist,” herhaalde hij.
Stil stonden ze in de keuken elkaar aan te kijken.
Zij liet haar beker op de grond vallen.
IV
Ze was gegaan. De woorden herhaalden zich in haar hoofd. Je moet gaan, het gaat zo niet langer. Ze wist wel dat niets meer ging. Nu was ze op weg. De stappen die zij zette in het groene gras. De verdorde boeketten zij verlaten zag liggen.
Daar was het einde. Het had nooit geheel voorbij kunnen zijn, behalve nu. Er was geen hypothese meer over. Geen scheiding, geen stiekeme vakantie en geen leeg bureau. Hij was weg en zij was alleen. Een leeg hart. Niemand die het gat in haar zou erkennen. Zij was niets voor de wereld.
“Kom,” Simon pakte haar arm vast. Met zijn lichtblonde haren in de schemering leek hij mythologisch. Maar haar hart lag op het gras, naast de rode roos.
Don’t want you
to leave me to the dark
Don’t need you
to tear my heart apart
Don’t do that.
[Vanilla Ninja, Cool Vibes]
Abonneren op:
Posts (Atom)