[proloog]
Een Nederlandse meteroloog had het weer als 'stormachtig' kunnen bestempelen, zo hard woei de wind en liet zij haar oneindige voorraad tranen op de aarde neerdalen.
Niemand verliet hier de minieme geborgenheid van de woningen, hotels of zelfs tenten.
De wind leek nooit de hoop op de volledige destructie van de aarde en al haar bewoners op te geven, zij ging onvervaard door met de taak die ooit aan haar was toebedeeld.
De lucht was hevig bewolkt, donkere grijze wolken hadden tijdelijk de heerschappij van het luchtruim over genomen, geen glimp kon een argeloze tuurder opvangen van de maan en haar sterrenzusters.
Ze was tevreden met de omstandigheden, dit weer vroeg gewoonweg om een tragisch noodlot.
Dat was maar goed ook, anders had ze zich misschien nog bedacht.
Alhoewel ze hier nog niet zo lang was en alle smalle steegjes op elkaar leken, wist ze met onevenaarbare subtiele snelheid haar bestemming te bereiken.
De nacht had haar gestreeld als een moeder haar verontruste en bange kind, ze had bevestiging gevonden in de wilde schoonheid van de storm.
Even was ze zelfs alles vergeten, toen leek ze net een dolgelukkige verdwaalde jonge vrouw.
Toen keerde de kilte en de kou weer terug in haar vastberaden lichaam.
Met drie harde uithalen had ze hem in zijn romp gestoken.
Hard, onbevreesd en moedwillig.
Kreunend had ze het zilveren scherpe bovenstuk in zijn lichaam geduwd.
Pas na een paar seconden was het bloed door zijn overhemd heen gesijpeld.
Hij had nog 'au' gemompeld, maar zij ging onbeïnvloed door.
Die nacht had ze heerlijker geslapen dan ooit tevoren.
Na lange omzwervingen langs haar favoriete stroom van water was ze tot zichzelf gekomen. Niet dat ze angstig was geweest, integendeel, ze was nog nooit zo zeker van haar zaak geweest als toen.
Op een vreemde manier had ze zich trots en voldaan gevoeld.
Voor de allereerste keer had ze aan zichzelf gedacht, aan wat zij wilde en verdiende.
Haar bed had haar verwelkomd met een overdadige warmte; ze had geslapen.
I
Hij schoot overeind, in een ruk, alsof iemand minutenlang naast zijn bed zijn naam had staan fluisteren en hij nu pas terugkeerde uit zijn diepe slaap. Maar er stond niemand naast zijn bed, zijn hele kamer was leeg. En donker. Na een vluchtige blik op zijn wekker te hebben geworpen, kon hij vaststellen dat het drie uur ’s nachts was. Het bekende zeurende gevoel was weer terug. De hongerige lust die hem al weken achtervolgde, veelal in zijn slaap, maar ook dikwijls de kop opstaat tijdens lange collegesessies over de psyche van de mens in relatie tot de invloed van de moderne maatschappij.
Hij likte zijn lippen, gromde en kroop overeind. Beslist baande hij zich een weg naar de deur van zijn kamer, hij wist dat hij niet eerder in slaap zou vallen voordat zijn behoefte bevredigd was. De deur leidde hem naar de gemeenschappelijke huiskamer van hem en zijn twee huisgenoten, hij hoopte maar dat hij niemand wakker zou maken.
“Leon?” Hij had dus wel iemand wakker gemaakt.
“Ja? Pieter, ben jij dat?” Langzaam deed hij een paar passen naar voren zodat hij zijn huisgenoot op de bank kon zien liggen. Nog nooit had hij Pieter in een gelijksoortige positie aangetroffen, de jonge man was slechts gekleed in een boxershort en een openhangende wijde blouse. Het meest opvallende was nog wel dat hij uit zijn doen leek, bijna nam Leon een vochtige vlek onder zijn ogen waar.
“Sorry. Ik was gewoon-,” Pieter wreef zijn ogen schoon met zijn mouw. Leon voelde zich meteen schuldig door zo onverhoopt tijdens het privémoment van zijn vriend zijn luidruchtige lust te proberen te bevredigen. Hij ging wat timide naast hem zitten op de bank.
“Pieter, wat is er?” De donkerblonde jongen keek hem wat onzeker aan. Leon hoopte dat hij geen vreemde indruk op hem maakte. Hij kende Pieter al wel wat jaren, maar niet op een intensieve basis zoals de meeste van zijn vrienden. Pieter was meer zoiets als dat men een ‘kennis’ noemde, maar dan ook nog toevallig een huisgenoot.
“Niks, niks, Leo. In ieder geval bedankt.” Pieter probeerde het vraagstuk zo snel mogelijk weg te wuiven, maar Leon liet zich niet met een kluitje in het riet sturen.
“Ik weet dat ik misschien vervelend ben, maar ik weet gewoon dat praten helpt. Echt- gooi het er nou maar gewoon uit.” Leon glimlachte hem toe. Ondertussen bleef zijn honger knagen, maar hij kon nu onmogelijk weglopen. Pieter beet op zijn lip en twijfelde zichtbaar.
“Maar dan pas als jij eerst wat chocolade hebt gehad, want zo werkt het natuurlijk niet.” Leon keek hem met open mond aan.
“Hoe weet jij dat?” Pieter grinnikte.
“Als jouw huisgenoot merk ik het echt wel als je vreemdsoortige op chocolade gebaseerde behoeftes hebt.”
Leon sprong op van de bank en snelde naar de keuken.
“Tweede laadje in het kleine houten kastje!” riep Pieter hem na.
Roos schrijft meer: de verhalen.
Hier kan je de langere literaire werken van Roos lezen. Reken niet op korte vermakelijke columnstukjes zoals je ze kent van Roos Schrijft!
Hier plaatst Roos de verhalen, novelles, korte romans, fragmenten uit romans of al het overig werk dat wat langer van stof is.
zaterdag, maart 20
donderdag, maart 4
Co-productie: Het manifest
Zat Van De Wereld En Alle Mensen Erin
(Vooral Mannen en Onvriendelijke Vrouwelijke Personen)
Een Serieus Manifest Met Lichte Ironie
_______________________________________________________
Over Ons En Het Waarom
About Us And The Why
“There are a fucking lot more things to love than just plain love.”
Nee.
Het is een heel simpel woord dat op een dag in Nederland wel zo’n (pak ‘em beet) miljoenen keren wordt gezegd. Door ouders tegen hun jengelende vervelende en irriterende kinderen die ze toch weer (had ik me toch niet voorgenomen om hem thuis te laten?) mee hebben genomen naar de supermarkt. Maar dat is niet alles. Wat dacht je van liefdesrelaties die opbreken, mannen die wederom een betoog houden dat als vrouwen ‘nee’ zeggen, ze toch écht ‘ja’ bedoelen, huisdieren die over de scheef gaan (‘nee Sterre, niet wéér dat arme musje urenlang martelen zonder het op te eten’), leraren die aan leerlingen vragen of zij dat projectiel door de klas (richting leraar) gooiden of tot slot, als je weer eens in zo’n verhoorkamertje van de politie zit en ze je vragen of je ‘hem hebt vermoord’, waarop je antwoord logischerwijze ‘nee’ is.
Toch jammer, want ‘nee’ is een ontkennend, afwijzend negatief woord. ‘Ja’ zou ons Nederlanders (en/of Belgen) toch zeker niet misstaan, een heerlijk bevredigend vrolijk en bevestigend woord. Maar nee (hier gebruiken wij het woord zelfs zelf!), wij als conservatieve wereldburgers houden liever vast aan de oude trouwe ‘nee’.
Ook wij zijn te vaak platgegooid met mismaakte onjuiste en niet op hun plaats zijnde ‘nee’s. Want wij verdienen toch immers geen afwijzing? Wij zijn Renée en Roos, twee lieve wulpse en intelligente achttien (nouja, Renée is op weg naar de achttien) jarige lieftallige jongedames. Je zou zeggen: twee van zulke meisjes, wat moeten die nou met een ‘Serieus Manifest Met Lichte Ironie’? Nou, deze ‘meisjes’ willen zaken die iedere dag voor normaal doorgaan aan de kaak stellen en zo proberen te begrijpen en bestrijden. Want wij hebben, zelfs in onze korte periode van (nog niet eens) achttien jaar al veel geleden. En nee, dat is geen grapje en ook geen ironie. Toch zijn wij het zat. Waarom zouden wij door onnozele walgelijke en buitensporig kwaadaardige acties van Andere Mensen moeten lijden? Terwijl wij geenszins kwaad, achterbaks of zelfs evil zijn.
Wij zijn op zoek naar liefde, acceptatie en succes. (But aren’t we all?) Toch heeft ervaring ons geleerd dat het eerste punt (liefde) vaak het tweede en derde (acceptatie en succes) in de weg staan. Nu is misschien ‘three out of three’ wel veel, maar toch willen wij met ons Manifest de weg voorbereiden door het eerste punt te proberen te elimineren om vervolgens punt twee en drie te bereiken. Want ware liefde, kom op, lach eens hard (broeha!) en ga dan weer door met lezen, want dat bestaat gewoonweg niet. Je moet gewoon ongelooflijk veel geluk hebben net iemand tegen te komen die jouw onweerstaanbare charmes niet kan weerstaan en werkelijk verliefd op je wordt, precies op dat moment als jij ook verliefd op hem/ haar wordt. (En dan moet je maar net allebei toe zijn aan een ‘long term relationship’ en geen last hebben van oa. bindingsangst, impotentie, een massive leeftijdsverschil of onbegrensbare jaloezie.) Al met al is het snel duidelijk: ‘there are a fucking lot more things to love than just plain love.’
Vervolgens kan punt twee ook op wat sociaal-maatschappelijke strubbelingen rekenen. Acceptatie krijg je als mens namelijk vooral van de mensen waar je (vrijwillig) veel tijd mee doorbrengt, de so-called vrienden. En hier kunnen vaak vele venijnige adders (of mussen, of een andere diersoort naar keuze die een bepaalde vorm van agressiviteit neer kan zetten) onder het onschuldige groene gras met dauwdruppeltjes op de loer liggen. Vriendschap is vandaag de dag namelijk iets dat vele mensen om onbegrijpelijke redenen zomaar achter zich gooien, door bijvoorbeeld vrienden te verraden, belachelijk te maken, over hen te roddelen of door zelfs potentiële huwelijkspartners van deze ‘vriend’ in de pikken. En dat kan niet. Absoluut niet. Daarom is een lesje in vriendschappen ook wel zo handig, al zeggen wij het zelf vanuit onze eigen ervaringen.
Wat voor ervaringen hebben wij dan zoal? Nou, voor deze speciale gelegenheid zullen wij wat pikante details uit de doeken doen die je bij de gemiddelde literaire auteur niet tegenkomt (hè Harry, hè Leon?), op onze Gerard na natuurlijk.
Renée zal het lekkere stukje spits afbijten, zij heeft vele heftige (en soms zelfs diepgaande) ervaringen met mannen gehad, zowel foute als correcte, waar zij verschillende mentale toestanden aan over heeft gehouden. (Wij noemen: ‘Het grijpen naar de drank’, ‘Het grijpen naar het eten’ of ‘Het grijpen naar willekeurige voorbijgangers op straat’.) Haar vertrouwen in ‘De Man’ hangt op dit moment aan een zijden draadje dat op het punt staat te knappen.
Roos, daarentegen, heeft al enige tijd haar heil gezocht in mensen van haar eigen geslacht (‘vrouwen’ heten die), zonder enig succes natuurlijk. Haar ervaringen met ‘De Liefde’ zijn nog nooit wederzijds geweest, wat voor haar geresulteerd heeft en heftige depressie-, eet- en kwijlaanvallen.
Het enige waar wij nog plezier aan beleven is het samen doorbrengen van de tijd (door bijvoorbeeld te eten, drinken of grijpen), waarbij nog regelmatig intellectuele onderwerpen de revue passeren. Wij hadden zo ook onze meningen over Bush (boe! tegen homohuwelijk!), de oorlog in Irak (boe! Bush!), Jan- Peter en z’n normen en waarden (boe! Bushkontlikker!), de moord op de civetkatten (boe! arme poesjes!) en de zwartekoppenziekte in de lokale kalkoenregionen (aw! zieliezielie kalkoentjes!).
Zo zie je maar weer, dat lol ook heel actueel en leerzaam kan zijn, zoals deze altijd bij ons is. En met deze woorden willen wij ons inleidend hoofdstuk afsluiten en de lieve lezer leiden naar het volgende hoofdstuk waarin wij deze vieze varkentjes (of mussen, of een andere vieze diersoort naar keuze) eens flink gaan wassen!
Waar Wij Voor Op Onze Hoede Zijn: De Zaak Van Het In Het Hoekje Schuilende Gevaar
The Things That We Are Terrified Of: The Case Of The Sneaky Danger
“Speur, Herken, Analyseer, Grijp In en Beeïndig!”
De gemiddelde mens is zijn gehele leven wel honderden (of als je wat zenuwachtig aangelegd bent, zelfs duizenden) keren bang. Deze angst kan variëren van een lichte schok tot ware doodsangst. En wij, als de originele unieke individuen die wij zijn, moeten dan allemaal een soort persoonlijke (lichtelijke) fobie hebben. Een willekeurige lezer zou zich nu af kunnen vragen wat een fobie precies inhoudt, voor deze onwetenden op het gebied van de Freudiaanse psycholoanalyse zullen wij het nog even aanstippen. Een fobie is de angst voor iets (denk aan een diersoort zoals een vogelbekdier, of een gebeurtenis zoals de planten water geven) die absoluut ongegrond is. Een neushoornfobie is dus helemaal niet zo’n typische fobie als jij in je kinderjaren al tientallen malen door een dergelijk gepanserd zoogdier op de (neus)hoorn genomen bent. Mensen met pleinvrees of smetvrees kunnen wel tot deze ‘fobie-groep’ worden gerekend.
Op Renée haar claustrofobisch aangelegde gedragingen zodra zij zich in een afgesloten ruimte bevindt, Roos haar ongegronde angst voor (rol)trappen, treinen (vooral tijdens het instappen), vissen (“Deze diersoort is dood op z’n engst,” aldus Roos), hoogtes, bloed en polsen lijden onze heldinnen geheel niet aan fobieën.
Maar laten wij ons nu op de angsten toespitsen die relevant zijn voor ons manifest. Misschien is ‘angst’ niet direct de juiste bewoording, we doelen eigenlijk meer op een zaak als ‘er voor op onze hoede zijn’. De volgende kenmerken, verschijnselen, diersoorten en sociaal-maatschappelijke groepen zijn overduidelijke signalen van Slechtheid.
1. Mannen
De Man, wie kent hem niet? Het stereotype macho-gedrocht, het intraverte studiebolletje, de hedendaagse (zich kapot ‘de liefde bedrijvende’ [en dat is sarcasme!]) player of zelfs de ‘brave’ vader van drie kindertjes waar jij de kersverse jonge minnares van bent. Met andere woorden: mannen komen in vele soorten en maten, vaak de letterlijke belichamingen van heuse stereotypes. En de onderliggende boodschap is nu al: alle mannen zijn slecht, fout, lelijk, vals, slecht in bed, crimineel, onbetrouwbaar, onnodig, zwak, zinloos, dom, niet-intelligent, arm, onromantisch, zo a-cultureel als het maar kan, ongeïnteresseerd, asociaal, on-altruïstisch, slap, mentaal onderdoenend aan wezels of zelfs (de bekende mentale faler van het dierenrijk) miereneters, ongezellig, niet knuffelbaar en absoluut niet lief. (Meer argumenten volgen naar mate de lezer verder leest.)
a) Liefde
Wij vrouwen kennen toch wel de grootste mannen-misère uit ons liefdesleven, vandaar dat dit het eerste spannende punt is dat wij gaan aansnijden. Binnen de sectie van de romantiek (liefde, relaties, romance, one-night-stands, buitenechtelijke relaties of gewoon simpele ‘verkering’) zijn de typen mannen weer onder te verdelen in de ‘foute omschrijvingen’ waarin zij thuishoren. Zo heb je mannen uit je vriendenkring, mannen die aan machtsmisbruik doen (en die je dus vanuit professioneel oogpunt kent) of simpelweg ‘De Onbereikbare Man’, ons aller veelvuldig bekend.
• Vriendenkring
Iedereen die een niet overweldigend aantal vreemdsoortige stoornissen bezit, heeft wel een soort van ‘vriendenkring’. Een groepje van mensen die het redelijk tot goed met elkaar kunnen vinden en waartoe jijzelf ook behoort. Soms (ik herhaal: soms) bevinden zich ook mannelijke mensen zich in zo’n zogenaamde vriendenkring. Als jij als lief meisje (ja, het vlees is zwak) dan bezwijkt voor een willekeurige man binnen je vriendenkring, is je doodsvonnis in principe al getekend.
Want wat is er nou het probleem? Ten eerste is deze persoon dus een vriend, als je het vertelt, ben je er geweest (ja, of hij moet opeens van je houden, humpf- geloof je het zelf?). Ten tweede ontstaat er een ware groepshysterie als je het aan enkele vrienden (die dus tot deze vriendenkring behoren) vertelt, dit zal garant staan voor ware levensbedreigende situaties. Dan is er ook nog het mankement van ‘het fatsoenlijk blijven functioneren binnen je natuurlijke habitat’ (de vriendenkring dus). Door je verliefdheid en de aanwezigheid van je imaginary mr. right, zal jouw eigen omgang en gedrag slechts verslechteren, wat ook weer zijn invloed uit zal oefenen op de rest van je sociale leven.
Als het fout gaat, binnen de ‘relatie’ tussen jou en een ‘vriendenkring-lid’, staan al helemaal de muizen op de brandende schuur te dansen als de kat uit de boom is gevallen. Wraakacties binnen de vriendenkring zullen zonder aarzelen worden ingezet, waarbij zowel jij als je vrienden uit elkaar gespeeld worden. Tijdens zo’n verliefdheid zullen er altijd mensen bij betrokken worden die je er helemaal niet ‘bij’ wil hebben. Wees bij deze dus gewaarschuwd.
(Het zou hypothetisch gezien wel goed kunnen gaan hoor. Even. Voor die 0,0001%. Blijf geloven.)
Dit is nog lang niet het hele tweede hoofdstuk. Meer volgt spoedig. Blijf 'De Site' in de gaten houden.
woensdag, maart 3
De vrouw
Zij was het.
Mijn alles en tegelijkertijd alles wat ik nooit zou kunnen zijn. Als een klein en hulpeloos kind keek ik al die tijd naar haar op, als muze en als voorbeeld. Een onherbergzame onmogelijke vorm van iets dat je dolgraag wilt, maar er tegelijkertijd van weet dat je het nooit zult krijgen.
In haar dagelijks leven gaf zij les, bekwaam en met een flair van zelfvertrouwen. Ze wist altijd net iets strenger op te treden dan ze behoefte te zijn. Dat gaf haar juist dat geheimzinnige ondeugende, verborgen achter al dat stricte regime. Zij wist mij te boeien, te fascineren alsof ik een gedreven bioloog was die onderzoek deed naar de meest essentiële kenmerken van een bepaalde diersoort. Ik denk niet dat iemand kan begrijpen hoe of wat ik voor haar voelde, dat was het meest uitdagende. Een liefde te kennen die ik, en niemand anders, nog nooit gekend had.
Wie of wat betekende ik voor haar? Slechts haar tien jaar jongere minnares, als ik me zelfs al zo mag noemen. Of ze mij zo ziet is een tweede. Ik ben nog steeds bang voor haar. Diepgewortelde angst dat ze zich ooit op een dag realiseert dat ik helemaal niet ben wat zij nodig heeft. Het is al heel wat dat ik al zoveel heb bereikt, tegen alle verwachtingen in. Ook tegen mijn eigen verwachting in, eigenlijk. Wie had zoiets kunnen bevatten, het meest onmogelijke dat waarheid werd?
Ze kwam in mijn leven door haar werk, haar baan die tegelijkertijd mijn scholing was. Mijn lerares Nederlands, wie had zoiets ironisch kunnen bedenken? Ik, als boekenverslindster die gepassioneerd over literatuur kon praten en genoot van ieder klein radartje dat onderdeel was van de Nederlandse taal, die plots verliefd zou worden op de lerares die ditzelfde vak onderwees. Het zou net lijken alsof ik dit vak was gaan liefhebben door haar, terwijl eigenlijk het omgekeerde de waarheid was. Meestal was ik het die haar kon motiveren om boeken te lezen, ik bleek zelfs meer gelezen te hebben dan zij. Het liefst wilde ik dan lange gesprekken met haar voeren over boeken, literatuur, schrijvers, geschiedenis en allerlei andere belangrijke dingen in het leven. We praatten ook wel, best lang. Toch bleef mij haar beroep in de maag zitten, het was een obstakel omdat ik niet zeker kon weten of ze mij als mens mocht, of dat ze mij slechts bijstond als lerares.
Twee jaar lang heb ik zo voort geleefd, van les Nederlands naar les Nederlands. Trots was ik als ze weer een gesprekje met mij wilde, dan wist ik dat ik weer een uur vol kon praten. Het leek ook nog wonderbaarlijk goed te klikken, ze was in die tijd een van de weinige die mij begreep; of tenminste probeerde te begrijpen. Ze had wel een nadeel: ze was bijzonder streng in het becijferen, een doorn in het oog voor een op cijfers belust meisje als ikzelf. Logischerwijze knapte ik soms, tijdens haar lessen. Dan werd het me teveel, dan had ik gewoonweg te lang als kat op het spek gezeten. De waanzin lag altijd om de loer en soms kreeg ze me op een onbewaakt ogenblik te pakken. Ik klom er altijd wel weer bovenop, op een bepaalde vreemde manier leek ik toch heel sterk te zijn. Zelfs haar kon ik aan, twee jaren lang.
Op een bepaald punt binnen onze relatie, die strict leraar leerling was gebleven, vertelde ik haar dat ik schreef. Uiteindelijk vermoedde ik al dat ze er ooit eens naar zou vragen. Ik was beledigd geweest als ze het niet had gevraagd, denk ik. Toen ze de woorden dan ook uitsprak, was ik de hele dag vervuld van een blij en trots gevoel. Natuurlijk betekende het niks, besef je je dan later in een helder moment, maar op dat moment was ik ziek en gedrogeerd met verliefdheid. Ik zag alles hoe ik het wilde zien. En dat was buitengewoon heerlijk. Na enige aarzeling zocht ik die avond verschillende stukjes uit, waarvan de meeste over haar gingen. Toch voelde ik me verantwoordelijk genoeg om deze niet aan haar te geven, ik wist dat ik het niet kon maken. Op een fragment na, een heel anoniem stukje, het was onmogelijk voor haar te achterhalen dat het over haar ging. Dat wist ik zeker.
Toen ik de daaropvolgende week in de gang stond, liep ze langs. Ik had net een boek van Harry Mulisch uit haar lokaal geleend voor onderzoek en kon dus niet ontkennen dat ik er was. Ze begon tegen me te praten. Maar zoals altijd was ik geheel verbaasd over het feit dat ze tegen mij praatte en genoot ik alleen maar van de aanblik van haar gezicht. Want wat was ze mooi. Goddelijk en perfect, met haar halflange blonde haar, klein voluptueus lichaam en haar grote groengrijze ogen. Ze praatte over mijn stukjes, dat ze ze leuk vond. Ik vond het maar een onnozele opmerking, wat heb je als schrijver nu aan een lezer die je werk ‘leuk’ vindt? Maar als zij het zei, dan was het goed. Plots leek haar houding te veranderen, van vriendelijk naar serieus, ze merkte op dat we er maar eens over moesten praten. Vervolgens liep ze weg en liet ze mij achter met een vragende blik in mijn ogen. Ik meende echt iets gezien te hebben. Zou ze me doorhebben?
Natuurlijk niet. Ze was alleen bezorgd. Met haar sociaal-pedagogische gewauwel probeerde ze mij op mijn gemak te stellen en allerlei vreemde vragen begon ze te stellen. Of ik problemen had met mijn geaardheid en zulk soortigs diepgaands. Ik moest er bijna van lachen en huilen gelijkertijd. Nergens had ik het moeilijk mee, op haar na. Zij was het, niets lesbische trauma’s. Helaas kon ik dat niet zeggen. Dit jaar was mijn examenjaar, over een dik halfjaar zou ik het eindelijk kunnen zeggen. Dat was tenminste het idee, dan mocht ik het in ieder geval in alle vrijheid aan haar als persoon vertellen. Dan zat ik niet meer vast in het web van het leerlingenbestaan.
Na enige tijd stopte ik met verhalen en stukjes geven. Langzaam begon ik af te glijden, de ongelukkigheid en onzekerheid nam toe. Ik ging haar minder zien, dagenlang niet naar haar lessen en überhaupt niet naar school. Het voelde goed, alsof ik afstand van mijn problemen begon te nemen. Het leek echt te werken. Wegblijven en negeren waren pijnstillers voor mij geworden. Maar zoals die dingen in het echt werken, heb je er steeds meer en meer van nodig. Toen belde de coördinator, ik had een belangrijke luistertoets gemist, of ik meteen op school wilde komen. Er werd gezeurd over de andere dagen dat ik afwezig was geweest en of ik nog bijzondere dingen deed buiten school. Daar werd ik zo woedend van. Alsof ik me zomaar met andere zaken bezighield? Nooit, niets deed ik dat het vermelden waard was buiten mijn schooluren om. En dan zat daar zo’n vrouw die helemaal niets van mij afwist en mij probeerde af te schilderen als een criminele puber met een sociaal leven.
De week daarna ging ik met mijn ouders mee naar de ouderavond, ze gingen naar haar toe, omdat ze tegelijkertijd mijn mentor is. En nu ging het niet zo goed met een paar vakken, verder haal ik dagelijks negens en achten binnen. Het was buitengewoon onprettig om daar naast haar te moeten zitten en mijn ouders maar vuil over mij te horen spuien. Normaal gesproken zijn het de leraren die ontevreden over hun leerlingen zijn en de ouders die hun kinderen verdedigen, bij mij was het precies het omgekeerde. Mijn handen waren gebonden, ik kon onmogelijk vrijuit praten met zowel zij als mijn ouders daar. Als een passieve pop zat ik daar op die stoel. Regelmatig keken ze me allemaal vragend aan, alsof ik er iets aan kon doen.
De volgende les wilde ze weer een gesprek. Maar ik wilde helemaal niet, ik wilde weer wegrennen, mijn pijnstiller van afwezigheid slikken. Toch kon ik wederom niets zeggen, niet zonder uitleg. Dus moest ik naar het gesprek. Op een vreemde manier voelde ik me goed, ik leek haar ver genoeg bij me uit de buurt te houden, haar lichaam leek mij niet meer zo aan te spreken. Totdat we in het kamertje zaten en ze weer begon te praten. Alles vloeide in een beweging terug. Alles was er weer, het gevoel, de tranen, het verdriet en de pijn. Je zou denken dat al die tijd van verwaarlozing wel iets geholpen had, maar het tegenovergestelde was waar. Ze was bezorgd en geschokt toen ze had gehoord dat ik zoveel dagen niet op school was geweest. Of ik geen problemen had met lesbische liefde, dat precieze vroeg ze me. Rationeel op dat moment vond ik het grappig, omdat het niet zo was. Thuis, vol gevoelens en tranen, moet ik er alleen maar om huilen. Omdat de opmerking eigenlijk zo raak was geweest. Alleen vroeg ik het me toch af of ze het wist. Ze leek zo normaal te doen, zo begrijpelijk. Ze zou me toch niet bewust met mijn liefde voor haar confronteren? Zo stiekem was ze toch ook niet bezig? Maar tegelijkertijd, hoe kon ze het niet weten? Hoe kon ze niet mijn pulserende liefde voelen, iedere seconde die ik in haar aanwezigheid doorbracht?
Zelfs nu weet ik niet of ze het toen al wist. Ik durf het haar nu niet te vragen, die periode is op een vreemde manier iets dat niet echt is gebeurd; we doen tenminste alsof het zo is. Nu is het mooi, we zijn gelukkig. Waarom zoiets veranderen? Geluk is immers breekbaar.
Mijn diploma haalde ik dat jaar, met vele goede cijfers voor Nederlands en Literaire Vorming. Ze had me een negen voor mijn mondeling bij haar gegeven, blij verrast was ik geweest toen ik dat had gehoord. Op de diploma-uitreiking had ik in mijn stoutse dromen haar gezoend, op een passievolle liefdesverklaring van beide kanten volgend. In het echt ging het heel anders. Er was eigenlijk niet zoveel aan, ik zag haar zelfs maar eventjes. De tranen voelde ik al weer opwellen. Zoveel had ik van deze bijzondere avond verwacht, het enige dat ik eraan overhield was een miezerig papiertje met een paar luttele cijfertjes erop. Alsof dat garant stond voor een gelukkig en succesvol leven.
Ik wist toen al dat mijn leven niet over rozen zou gaan, zelfs niet als je zelf een roos bent. Er zijn van die gebeurtenissen, gewaarwordingen of gevoelens waarvan je als mens weet dat ze voor altijd zijn. Dat is dan zoiets dat nooit verandert, iets dat je altijd met je mee zal moeten dragen. Ik wist dat zij mijn constante factor was. Zolang ik haar ontweek en niet zag, ging het. Maar als ik dan weer iets hoorde, zag of las dat met haar te maken had, dan knapte ik weer als een breekbaar takje. Vroeger was ik tenminste nog buigzaam.
Vervolgens was dus mijn vakantie aangebroken, alles was klaar en afgesloten. Nooit meer zou ik thuishoren op die school waar ik zes jaar lang verdriet en liefde had gekend. Ik wist zeker dat de verandering nodig was en niet slecht, maar de gevoelens van gemis overschaduwden mijn wijze gedachten. Het beangstigende gevoel van afscheid overmeesterde mij. Het was onmogelijk geworden om veilig in haar klaslokaal te zitten, een diepgaande literair vraagstuk kon ik haar nooit meer voorleggen en haar bellen onder het mom van ‘een vraag’ was een verdwenen optie geworden. Het deed pijn, want ik was de wanhoop nabij. Moest ik het niet toch vertellen? Of gewoon stilletjes emigreren naar België en nooit meer iets van me laten horen? Ik kón en mócht haar toch niet opzadelen met mijn eigen zondige gevoelens? Dat was toch oneerlijk? Het was immers niet haar schuld.
Alhoewel ik jarenlang mezelf zo netjes in had weten te houden, kende ik mezelf goed genoeg om te weten dat ik met haar moest praten. Anders zou ik het geheel als onafgesloten zaak achterlaten, later zou het onvermijdelijke weer op gaan spelen. Stijf van de stress vertrok ik daarom op een maandagavond naar haar appartement dat zich bevond in een naburig dorp. Bewust had ik geen afspraak gemaakt of eerst gebeld, dan zou er een te grote lading op de ontmoeting gaan liggen, wist ik uit ervaring. Mijn hart maakte overuren en mijn adem was in een onreguleerbaar tempo te actief voor woorden toen ik mijn vinger op de bel van haar nummer drukte. Ze reageerde met dezelfde vrolijke stem als waar ze de telefoon mee opnam. Onzeker brabbelde ik wat tegen het luidsprekertje waarvan ik nooit had gedacht dat zij erachter zou kunnen schuilen. Ze leek me te begrijpen en liet me naar binnen.
Al zo vaak had ik van dit gebouw, dit trappenhuis en iedere trede gedroomd. Ik was hier al geweest, ik had hier al gelopen en ik had hier alles al beleefd. Gewoon, met mezelf, in mijn bed. Het was vreemd, maar toch leek dit mij op een bepaalde manier een soort troost te bieden. Het idee dat ik het toch allemaal al eens had gedaan, gaf mij een veilig gevoel. Totdat ik voor haar deur stond. Nog nooit was ik zo bang geweest, dit was het moment. Als ik nu teleurgesteld zou worden, zou alles voor niets zijn geweest. Dan zou mijn leven onverbiddelijk eindigen. Dan was er niets meer te redden. Ik probeerde er niet aan te denken, maar ik wist dat zij mijn transcendente reden tot bestaan was.
Met twee korte bonzende geluiden klopte ik op de donkerrode deur. Ze deed niet meteen open. Ik dacht dat ze me niet binnen wilde laten. Bijna was ik weggelopen. Totdat ze de deur met enthousiasme opendeed, glimlachend in de deuropening stond en mij gedag zei. Mijn hart brak op dat precieze moment. De ironie van de gebeurtenis was gewoonweg te paradoxaal aanwezig: zij stond daar vriendelijk te zijn, terwijl dat ene juist de oorzaak van al mijn misère was geweest. Als zij niet begonnen was, had ik hier nu niet gestaan.
Twijfelend en gestaag stapte ik haar appartement binnen. Het liefst wilde ik mezelf vastketenen aan haar bed en nooit meer weggaan en voor altijd onderdeel van haar leven blijven. Maar nee, ik was hier als afscheid nemende eindexamenleerlinge die naar een ander land ging emigreren. Ze deed zelfs vriendelijk, ze leek het niet eens lichtelijk apart te vinden dat ik hier was. Ik moest iets zinvols gaan zeggen, nu. Dit was mijn enige kans tot vrijheid.
“Ik denk dat ik je er nooit van zal kunnen overtuigen hoeveel het me spijt en hoe graag ik het niet had willen doen, maar nu kan ik er al lang niets meer aan doen. Sorry.” Ze kijkt op van de tafel waar ze enige seconden eerder nog iets leek te zoeken. Haar ogen lijken groter en indrukwekkender dan gewoonlijk. Ze lijkt me vragend aan te kijken, alsof ze een bevestiging van iets zoekt. Ik durf de woorden niet uit te spreken, dit lijkt me al meer dan genoeg. Maar dan gaat ze naast me zitten, nog steeds met die zoekende blik.
“Waarom zou het je moeten spijten?” vraagt ze dan en ik kan niet helpen te denken, dat ze er op dat moment als het meest begeerlijke onschuldige wezen uitziet dat ik ooit gezien heb. Ik probeer haar blik te ontwijken.
“Omdat je er niets aan kan doen, je hebt niets gedaan. Het is allemaal mijn schuld.” Ik bibber omdat ik bang ben dat ze weer net zo gaat doen als ze altijd deed. Professioneel en cliché vragen stellen, proberend mij mijn problemen te ontfutselen. Maar dat doet ze niet, ze blijft haarzelf. Ik slaak een zucht van verlichting.
“Nee,” fluistert ze zachtjes. Ik kijk haar weer aan en probeer zo spijtig mogelijk te glimlachen. Zo’n typische lach die je gezicht ook siert als je vol afwachting in een winkel naar het product van je keuze vraagt, maar wanneer het er dan niet meer is. Dan kijkt men ook zo, een soort ironische glimlach waarmee je probeert te zeggen dat het niet uitmaakt en dat diegene er ook niets aan kan doen. Ze lijkt me te begrijpen en staat op. Ik doe hetzelfde en begin naar de deur te lopen.
Ze pakt mijn hand vast en trekt me naar haar toe. Ik voel een herkenning vanuit mijn dromen, nu zou ze me moeten zoenen.
“Het spijt mij ook,” zegt ze zachtjes voordat ze me teder op mijn mond kust.
Ik gil, ik sta in brand, ik droom, ik gloei, ik ga stuk. Voor de eerste keer in mijn leven aanschouw ik hetgeen dat men ‘liefde’ noemt. Ze staart me aan en ik heb geen idee wat ik moet doen. Moet ik nu iets zeggen? Moet ik haar nu terug zoenen? Of moet ik weggaan? Haar hand rust ondertussen op mijn linkerwang en een vreemd krioelend gevoel maakt zich meester van mijn hele lichaam. Ik bijt op mijn lip, doe een stap naar voren en kus haar hard op haar lippen.
Dezelfde lippen waar ik jaren naar heb gekeken en verlangd. Diezelfde lippen.
Abonneren op:
Posts (Atom)