Fragment uit roman-in-wording.
Ik kreunde van luiheid zodra ik de zonnestralen op mijn slaperige gezicht voelde schijnen. Waarom wilde die verrekte zon toch iedereen wekken? Ik wilde nog helemaal niet wakker worden, ik wilde heerlijk lang luierend in mijn bed blijven liggen. Een bed, nouja, een slaapzak was een ietwat preciezere verwoording.
Toen hoorde ik haar zachte ademhaling naast me en van verrukking kon ik simpelweg niets doen behalve kijken. Bevroren staarde ik naar haar ontspannend gelaat, een glimlach van geluk op haar lippen zwevend. Ik had nooit kunnen dromen dat ik zo gelukkig zou zijn. Dat ik ooit degene zou zijn op wie iedereen jaloers was, omdat ik er domweg blij en vrolijk uitzag. Nu was ik dat eens! Nu was ik niet meer het eenzame meisje dat naar liefde hunkerde, nee nu bezat ik zelf het kostbaarste der kostbaren.
Ik giechelde zachtjes en wreef de krullende lokken uit haar gezicht. Wat was ze toch mooi. Té mooi. Want hoe kon iemand die zo verschrikkelijk mooi was van iemand zoals mij houden? Ik begreep het nog steeds niet, maar ze bleek van me te houden. Anders was ze al lang bij me weggeweest. Maar ze was er nog steeds, naast me, slapend.
Al maandenlang waren we samen geweest. Alleen zij en ik, en de auto. Reizend naar allerlei plekjes waar we tot voor kort alleen nog maar van hadden kunnen dromen. Dat geluk zo dichtbij kon zijn, daar verbaasden we ons allebei over.
Rusteloos draaide ze zich om in haar opengeritste slaapzak. Het kon ’s nachts nog steeds flink warm worden in Duitsland, vooral nu het bijna augustus was. Veel Nederlanders onderschatten de temperaturen in hun buurland, waar het iedere zomer zo’n tientallen graden warmer kan zijn in moederland Holland. Maar wij vonden het heerlijk, Duitsland. Er stonden natuurlijk nog vele andere landen op het programma. We wilden zoveel mogelijk zien, beleven en opnemen als we maar konden in deze drie maanden.
“Hmmm.” Ik herkende haar kreuntje van genot uit duizenden. Al vele malen heb ik haar gehoord, meestal veel harder en gepassioneerder dan dit. Maar haar zachte ochtendkreuntje is wel het meest lieflijke geluidje dat ze in haar reportoire had. Stilletjes leunde ik over haar, zoekende naar de tekenen van haar wakkerheid. Haar hand kroop langzaam naar haar gesloten ogen. Weer kreunde ze zachtjes en wreef loom in haar oogleden. Toen opende ze haar prachtige groengrijze ogen en staarde ze me aan.
“Mmm,” mompelde ze,” wat ben je vroeg wakker.” Met haar rechterhand frummelde ze aan de mouw van mijn pyjama. Ik knikte en gaf haar een zachte ochtendkus op haar droge lippen. Ze glimlachte en ging rechtop zitten.
Ze zag er kaal uit in haar lichtroze nachtponnetje, maar tegelijk leek ze de puurheid zelve. Zo naakt, zo onaangeraakt en zo onschuldig. Ik lachte in mezelf, want we wisten allebei dat ze geen van beide was. Toen stond ze op en pakte een handdoek van ons zelfgefrabriceerde waslijntje voor de tent.
“Ik ga douchen,” zei ze, geheel overbodig. De zon bescheen het frisse bebloemde grasveldje waarop onze tent geplaatst was en mijn liefste stapte parmantig tussen de kleurige creaties door. Ik zuchtte weer eens.
Even later staarde ik een beetje doelloos door de tent. Ik had het hier nou voorlopig wel weer gezien. Duitsland was best leuk, maar vier nachten in een tent slapen was nou ook niet echt mijn idee van een droomvakantie. Het was natuurlijk een droomvakantie, dat moest ik toegeven, omdat ik bij haar was, maar toch. Alles gaat opeens een stuk beter als je in een luxueus vijfsterren hotel in je whirlpool ligt, zei ik altijd maar.
Ja, dat was een zeer geschikt idee, ik besloot het voor te stellen zodra ze terugkwam van het kille douchehok dat zich vlakbij ons grasveldje bevond. Mijn sluimerende luiheid dwong mij om nog maar wat rond te hangen op mijn luchtbed en aldoor neuriënd legde ik mezelf te rusten. Ritmisch ademend sloot ik mijn ogen, een grote slok zuurstof snoof ik door mijn neus binnen, ik droomde zachtjes weg.
Opeens was ik ergens anders. Ik was bang, dat gevoel herkende ik nog heel goed. Angst, beklemmende angst die je keel doet samenknijpen, angst die je verbiedt na te denken. Ik kon ook niet meer denken. Mijn mond opende zich, maar gillen kon ik niet. De angst nam toe, als in een clichè droom probeerde ik de weg naar buiten te vinden, maar mijn voeten leken aan de vloer genageld te zijn. Toen kwamen de geluiden, de indringende gil, de roep om hulp. En weer wilde ik helpen, ik wilde er iets aan doen, maar ik kon niets. Eerst had alles vaag geleken, maar nu kwamen de kleuren en de vormen langzaam terug. Ik deed mijn ogen dicht om niet te zien wat er zich voor mij afspeelde, maar het bleek niet te helpen. Ik zag alles. Gewoon weer. Alsof het de simpelste en onschuldigste zaak van de wereld was. Ik voelde het zweet over mijn rug lopen. Al het gevoel was uit mijn lichaam verdwenen.
Mijn lichaam schudde heen en weer. Langzaam voelde ik mijn vingers weer, ik rook geuren en warme lichtstralen beschenen mijn oogleden.
“Gaat het?” Ze zat met een bezorgde blik over me heen gebogen. Ze zat heel dichtbij me en van haar vochtige haar vielen langzaam druppeltjes op mijn borst. Ik knikte en ging rechtop zitten. Ik hoopte dat ze niet had geraden waar mijn droom over was gegaan, want ik was maar al te bekend met haar diepgaande schuldgevoelens. Dus probeerde ik vrolijk te glimlachen en begon haar te vertellen over mijn nieuwe reisplannen.
Waarom waren we eigenlijk weggegaan? Ik wist nu waarom, maar zij deed nog steeds alsof het er niets mee te maken had. Alsof ze gewoon weg had gewild, al jaren geleden en dat dit de perfecte kans was om eindelijk weg te gaan van haar vertrouwde appartement, haar baan en haar leven. Alsof het niets voorstelde om een leven van zevenentwintig jaar zomaar achter te laten. Maar toentertijd had het mij niets uitgemaakt, ik had gedacht dat ze oprecht deze keuze had gemaakt. Ik was dol en blind van verliefdheid. Overgelukkig dat dit goddelijke schepsel samen met mij weg wilde, dat ze samen met mij nieuwe werelden wilde ontdekken.
Hoe frappant het toch is dat verliefdheid zo kan veranderen. Niet dat ik niet meer immens veel van haar hou, maar de onbeheerste allesomvattende verlangende verliefdheid is was afgenomen, nu pas zie ik wat zij werkelijk is. Dat ik ooit zo onschuldig en goedgelovig heb kunnen zijn. Als ik niet zo verliefd was geweest, dan had ik me niet zo laten meeslepen, dan was alles zoveel anders gelopen.
Dan had ik geen levens geruïneerd.