― Of hij net zo’n literair genie is als Poesjkin.
John grinnikt en realiseert zich niet eens hoe sterk zijn ego gestreeld wordt door haar woorden. Nee, denkt hij. Niet alleen is zijn poëtische kennis van de klassieke Russen onder de maat, ook houdt hij niet van vergelijkingen.
“Iets kan pas in een goed perspectief gezien worden als het in de juiste context geplaatst wordt. Vergelijken is natuurlijk. Iets kan niet iets zijn zonder iets anders,” suggereert ze. “Ook al zou ik dat natuurlijk wel willen,” voegt ze er haastig aan toe.
John poogt de juiste woorden te vinden. Hij heeft voorbeelden en invloeden, maar hij wil het liefst geen namen aanhalen. Iemand die zichzelf op hetzelfde voetstuk plaatst als grootheden zoals Poesjkin of Brodsky ― dat is niet alleen gevaarlijk, maar ook beangstigend.
Hij schudt zijn hoofd.
“Nog koffie?” wenkt hij als de serveerster enthousiast langs dartelt. Ze knikt en glimlacht.
De situatie doet hem stiekem denken aan Hemingway. Mocht een onbekende hen zo zien, dan zou deze er een groot dramatisch verhaal omheen kunnen spinnen. Een Doornroosje die haar perfecte leventje langzaam aan elkaar spint van pluizige fantasie. Hij spint niet, hij leeft.
“Aan wat voor zaken ontleen je zoal je inspiratie?” werpt ze op, met een veelbetekenende blik. Hij ziet aan haar ogen dat ze iets verwacht ― iets moois. Hoe passief agressief: wel vreemdgaan, maar geen blik kunnen teleurstellen.
“Vrijwel onmogelijk te definiëren. Een kat, een fiets of een stad. Mensen, zelfs ook, soms. Maar het is geen object – het is een gevoel. Iets ultiem individualistisch dat ik probeer om te zetten in woorden, ritme en vorm.”
“Liefde, dus.”
“Eigenlijk niet.” Hij blaast langzaam zinnenprikkelende wolkjes sigarettenrook uit. Alsof hij direct uit een cultfilm is geslopen. De onbereikbare man pur sang.
“Alles is liefde. Hoe een hekel je er ook aan mag hebben ― het is overal.”
“Ik heb geen hekel aan liefde, waar je dat idee dan ook vandaan hebt.”
Ze haalt haar schouders op. “Het erkennen van een dictatoriale macht betekent nog niet dat je eraan toegeeft.”
Hij is koppig. “Nee.”
Ze vreest zijn angst voor haar. Als hij eens wist ― als zij eens haar gedachten had gewist.
De overeenkomst tussen hoop en wanhoop loert onvervaard als hij overweegt een einde aan de ontmoeting te maken. Een ervaren man, poëet zonder woorden, zoekt onbeschrijflijke vrouw om leven te beademen. Man ontvangt schalks rondzoekend meisje zonder ware Lolita-achtige leeftijd. Zijn hoop haalt verloren de schouders op.
Zonder hoffelijk te zijn houdt hij de deur voor haar open.
Lieflijk lacht ze haar lippen los en wappert haar de lucht in.
De februarinacht is koud en ruikt niet naar winter. Met de juiste belichting is hij een donkere machtige man uit criminele tijden, in zijn lange mantel. Ze draait zich niet om, kijkt hem niet diep in de ogen en raakt hem niet aan ― zelfs niet subtiel.
“Nou.” Hij zucht. “Dankjewel. Het was ― fijn.”
Ze knikt en kijkt hem aan. Een pokdalig gezicht leek nog nooit zo mooi en begeerlijk. Ze wil het voelen, hebben en nooit meer loslaten ― maar tegelijkertijd wil ze alles behalve hier zijn. Realiteit en nabijheid beangstigen haar meer dan ooit tevoren. Nu kan ze niet meer wegrennen. Het is te echt.
“Dag.”
Loom lijken de lippen over haar wang te lopen.
Belachelijke gedachtes vliegen door zijn hoofd.
Geen muziek of tintelingen ― slechts ruwe lippen die verdwaald lijken.
Haar hoofd denkt aan rationele dingen.
Hij wikt, weegt en verliest. De lippen zijn niet meer en hij kijkt haar aan. Ze probeert een houding te zoeken, maar nooit eerder stond ze in een donkere stad met een man die ze graag wilde hebben.
“Realiteit is vies,” oppert ze.
Hij knikt.
Pas nu ziet ze dat hij leren handschoenen draagt. Met een hoge hoed en een stok erbij ― spint haar geest.
Met haar bruine leren handschoenen pakt ze zijn rechterhand. Leer op leer. Door dierenhuid heen kloppend mensenlichaam voelen.
Hoe een mens veel verleidelijker is met kleren aan, zonder glimmende naaktheid ― zo teder is een aanraking zonder vel. Een muur van overleden koeien tussen fluisterende jongelingen.
“Morgen weer vroeg op,” probeert hij zich te verontschuldigen.
“Tot dan.” Ze laat zijn in handschoen gestoken hand los. Hij loopt.
Als ze zwaait voelt ze zich lullig.
Verstijfd kijkt ze toe hoe de donkere gedaante steeds verder bij haar vandaan loopt. Hij bewandelt de weg naar haar hart.
Iedere meter vergroot de afstand, de onbereikbaarheid ― iedere stap maakt hem meer begerenswaardig.
Poes kruipt onder zijn kin zodra zijn hoofd het kussen raakt. John zucht. Ook hij moet eens gaan leren spinnen.
Roos schrijft meer: de verhalen.
Hier kan je de langere literaire werken van Roos lezen. Reken niet op korte vermakelijke columnstukjes zoals je ze kent van Roos Schrijft!
Hier plaatst Roos de verhalen, novelles, korte romans, fragmenten uit romans of al het overig werk dat wat langer van stof is.
maandag, februari 20
zaterdag, januari 7
De definitie van liefde
MY Love is of a birth as rare
As 'tis, for object, strange and high;
It was begotten by Despair,
Upon Impossibility.
Magnanimous Despair alone
Could show me so divine a thing,
Where feeble hope could ne'er have flown,
But vainly flapped its tinsel wing.
Andrew Marvell "The Definition of Love"
Veel mannen heten Joost en hij is er een van. Hij tikt met zijn vingertoppen op zijn been. Een nutteloze bezigheid waarmee hij onbewust aan de rest van zijn coupé wil laten zien dat hij ergens te laat voor is. Die giechelende meisjes een paar banken verder mogen het jammer vinden dat ze niet meteen kunnen winkelen, maar een man zoals hij heeft verplichtingen. Sommige mensen kunnen plannen, die nemen altijd een trein eerder dan een trein die precies op tijd aankomt. Hij niet. Vandaag moet hij eraan geloven, want hij is veel te laat.
Hij realiseert zich niet eens dat hij een begerenswaardige baan heeft. Met nonchalante willekeur is Joost eigenlijk in zijn huidige positie gegleden. Het kwam zo uit. Hij is een praktisch mens, hij laat zaken op zijn beloop en ziet wel hoe het gaat. Geen echte vechter. Geen individu met zeldzame passie voor een enkel aspect van het leven.
Joost is lid van de afdeling Middelnederlands aan de universiteit. Hij vindt een soort van ledige rust in het doen van onderzoek. Maar hij is een man. Het is zijn geslacht niet eigen om enthousiaste, hoge kreten uit te slaan en een rozige blos op de wangen te krijgen wanneer het zich in zijn element voelt.
Nu is hij te laat voor een afspraak met een student van een vak dat hij geeft. Als invaller weliswaar, maar dat doet zijn prestaties geenszins te niet. Hij is best goed met mensen, maar op zo'n manier dat niemand het door heeft. Joost vraagt zich af of de student in kwestie nog wel blijft wachten. Als hij zich het goed herinnert, was het iemand die de vorige keer zijn kamer niet kon vinden.
De universiteit is gevestigd in oude sfeervolle gebouwen die als gebrek hebben dat de kamernummering meer weg heeft van een willekeurige doolhof dan van enige systematiek. Niet dat hij les geeft aan eerstejaars – nee, zijn vak is een casus waar zich grotendeels deeltijd studenten voor hebben ingeschreven.
Ze heeft meer Joosten gekend dan dat eigenlijk goed voor haar is. De eerste Joost was een jeugdliefde, een aaneenschakeling van halfslachtige tekenen van intimiteit. Het leverde haar uiteindelijk niets op. Hij was de eerste echte Joost in haar leven en zodoende had zijn voornaam sindsdien een negatieve connotatie. De Joosten die daarop volgden deden niets om iets aan deze reputatie te veranderen.
Nu wordt haar wederom duidelijk dat iemand die Joost heet eigenlijk bij voorbaat maar beter bij haar vandaan kan blijven. Al een kwartier staat ze bij zijn kamer te wachten - de juiste, deze keer. Ze is wat vroeg, maar van haar docent is nog niets te zien. Wanhopig leest ze een boek over Engelse syntaxis om de rampscenario's uit haar hoofd te bannen. Het lezen lukt niet.
Ze kijkt op haar horloge. Tien over half elf. Ze had met hem een afspraak om half elf. Officieel zou ze al spoedig naar een college moeten, dus word ze enigszins ongeduldig. De meest onwaarschijnlijke dramatische voorvallen drijven al voor haar geestesoog langs - het niet schrijven van een acceptabel onderzoek en het falen van dit vak.
Haar ratio probeert haar te kalmeren. Rustig ademen, gewoon nog even wachten, het is nog niet zo laat. Hoe logisch een vertraging ook klinkt, het lijkt haar zo onwaarschijnlijk dat het nu precies haar zou moeten overkomen. Hij gaat toch ook op tijd weg?
Met een diepe zucht kijkt ze nogmaals op haar horloge. Het schreeuwt wanhopig dat het al kwart voor elf is geweest. Ze vermaant zichzelf om nog éven te blijven wachten. Als hij er dan nog niet is, gaat ze weg.
Als ze wederom een poging waagt een zin uit haar boek te lezen, hoort ze stappen. Ze naderen haar in ongekende snelheid, want voor dat ze er erg in heeft komt hij hijgend de hoek om. Een sjaal om zijn nek geslagen, zoals alleen serieuze mensen met belangrijke banen in ultieme haast kunnen hebben. De blos, zo onmiskenbaar voor haast.
Hij glimlacht en verontschuldigt zich – de trein had vertraging. Haar hart doet een hink-stap-sprong in haar borstkas, maar ze is al lang blij dat hij er is en dat ze niet weer bij een verkeerde kamer stond.
Nog steeds lichtelijk hijgend opent hij de deur met zijn sleutel. Ze noteert in haar hoofd dat hij er zo universitair uitziet – wat vaak synoniem is voor geniaal, maar zonder fashion sense. Dat is wat haar zo van de universiteit doet houden. Iedereen is er zo briljant, maar ook zo lelijk eigenzinnig. Excentriciteit is wat de bijzondere mens van het kuddedier onderscheidt.
Terwijl ze op een stoel tegenover zijn bureau gaat zitten doet hij zijn donkerrode jasje uit. Zij heeft haar winterjas al aan – als officiële koukleum. Ze realiseert zich opeens dat mannen in haar omgeving minder last lijken te hebben van externe weersomstandigheden.
Als hij begint te praten over haar onderzoek en haar opzet, dringt het pas tot haar door dat ze zich niet eens zo goed heeft voorbereid. Door al die stress was ze het doel van het gesprek geheel uit het oog verloren.
“We moeten wel een beetje haast maken – om elf uur heb je weer college, toch?” vraagt hij.
“Nou, ik heb iets kunnen veranderen en ga ik pas om twaalf uur. Tijd zat.”
Als ze bijna drie kwartier later zijn kamerdeur achter zich dicht doet voelt ze het opborrelen.
[Cumulatief resultaat van Feuilleton.]
As 'tis, for object, strange and high;
It was begotten by Despair,
Upon Impossibility.
Magnanimous Despair alone
Could show me so divine a thing,
Where feeble hope could ne'er have flown,
But vainly flapped its tinsel wing.
Andrew Marvell "The Definition of Love"
Veel mannen heten Joost en hij is er een van. Hij tikt met zijn vingertoppen op zijn been. Een nutteloze bezigheid waarmee hij onbewust aan de rest van zijn coupé wil laten zien dat hij ergens te laat voor is. Die giechelende meisjes een paar banken verder mogen het jammer vinden dat ze niet meteen kunnen winkelen, maar een man zoals hij heeft verplichtingen. Sommige mensen kunnen plannen, die nemen altijd een trein eerder dan een trein die precies op tijd aankomt. Hij niet. Vandaag moet hij eraan geloven, want hij is veel te laat.
Hij realiseert zich niet eens dat hij een begerenswaardige baan heeft. Met nonchalante willekeur is Joost eigenlijk in zijn huidige positie gegleden. Het kwam zo uit. Hij is een praktisch mens, hij laat zaken op zijn beloop en ziet wel hoe het gaat. Geen echte vechter. Geen individu met zeldzame passie voor een enkel aspect van het leven.
Joost is lid van de afdeling Middelnederlands aan de universiteit. Hij vindt een soort van ledige rust in het doen van onderzoek. Maar hij is een man. Het is zijn geslacht niet eigen om enthousiaste, hoge kreten uit te slaan en een rozige blos op de wangen te krijgen wanneer het zich in zijn element voelt.
Nu is hij te laat voor een afspraak met een student van een vak dat hij geeft. Als invaller weliswaar, maar dat doet zijn prestaties geenszins te niet. Hij is best goed met mensen, maar op zo'n manier dat niemand het door heeft. Joost vraagt zich af of de student in kwestie nog wel blijft wachten. Als hij zich het goed herinnert, was het iemand die de vorige keer zijn kamer niet kon vinden.
De universiteit is gevestigd in oude sfeervolle gebouwen die als gebrek hebben dat de kamernummering meer weg heeft van een willekeurige doolhof dan van enige systematiek. Niet dat hij les geeft aan eerstejaars – nee, zijn vak is een casus waar zich grotendeels deeltijd studenten voor hebben ingeschreven.
X
Ze heeft meer Joosten gekend dan dat eigenlijk goed voor haar is. De eerste Joost was een jeugdliefde, een aaneenschakeling van halfslachtige tekenen van intimiteit. Het leverde haar uiteindelijk niets op. Hij was de eerste echte Joost in haar leven en zodoende had zijn voornaam sindsdien een negatieve connotatie. De Joosten die daarop volgden deden niets om iets aan deze reputatie te veranderen.
Nu wordt haar wederom duidelijk dat iemand die Joost heet eigenlijk bij voorbaat maar beter bij haar vandaan kan blijven. Al een kwartier staat ze bij zijn kamer te wachten - de juiste, deze keer. Ze is wat vroeg, maar van haar docent is nog niets te zien. Wanhopig leest ze een boek over Engelse syntaxis om de rampscenario's uit haar hoofd te bannen. Het lezen lukt niet.
Ze kijkt op haar horloge. Tien over half elf. Ze had met hem een afspraak om half elf. Officieel zou ze al spoedig naar een college moeten, dus word ze enigszins ongeduldig. De meest onwaarschijnlijke dramatische voorvallen drijven al voor haar geestesoog langs - het niet schrijven van een acceptabel onderzoek en het falen van dit vak.
Haar ratio probeert haar te kalmeren. Rustig ademen, gewoon nog even wachten, het is nog niet zo laat. Hoe logisch een vertraging ook klinkt, het lijkt haar zo onwaarschijnlijk dat het nu precies haar zou moeten overkomen. Hij gaat toch ook op tijd weg?
X
Met een diepe zucht kijkt ze nogmaals op haar horloge. Het schreeuwt wanhopig dat het al kwart voor elf is geweest. Ze vermaant zichzelf om nog éven te blijven wachten. Als hij er dan nog niet is, gaat ze weg.
Als ze wederom een poging waagt een zin uit haar boek te lezen, hoort ze stappen. Ze naderen haar in ongekende snelheid, want voor dat ze er erg in heeft komt hij hijgend de hoek om. Een sjaal om zijn nek geslagen, zoals alleen serieuze mensen met belangrijke banen in ultieme haast kunnen hebben. De blos, zo onmiskenbaar voor haast.
Hij glimlacht en verontschuldigt zich – de trein had vertraging. Haar hart doet een hink-stap-sprong in haar borstkas, maar ze is al lang blij dat hij er is en dat ze niet weer bij een verkeerde kamer stond.
Nog steeds lichtelijk hijgend opent hij de deur met zijn sleutel. Ze noteert in haar hoofd dat hij er zo universitair uitziet – wat vaak synoniem is voor geniaal, maar zonder fashion sense. Dat is wat haar zo van de universiteit doet houden. Iedereen is er zo briljant, maar ook zo lelijk eigenzinnig. Excentriciteit is wat de bijzondere mens van het kuddedier onderscheidt.
Terwijl ze op een stoel tegenover zijn bureau gaat zitten doet hij zijn donkerrode jasje uit. Zij heeft haar winterjas al aan – als officiële koukleum. Ze realiseert zich opeens dat mannen in haar omgeving minder last lijken te hebben van externe weersomstandigheden.
Als hij begint te praten over haar onderzoek en haar opzet, dringt het pas tot haar door dat ze zich niet eens zo goed heeft voorbereid. Door al die stress was ze het doel van het gesprek geheel uit het oog verloren.
“We moeten wel een beetje haast maken – om elf uur heb je weer college, toch?” vraagt hij.
“Nou, ik heb iets kunnen veranderen en ga ik pas om twaalf uur. Tijd zat.”
Als ze bijna drie kwartier later zijn kamerdeur achter zich dicht doet voelt ze het opborrelen.
[Cumulatief resultaat van Feuilleton.]
Abonneren op:
Posts (Atom)