dinsdag, december 23

Gay

gorgeous
admirable
you

Met verwachtingsvolle ogen keek ze op, maar de deur was nog steeds dicht. Ze zuchtte. Waarom lukte het haar nou nooit? Zo vaak deed ze haar best, maar nooit mochten haar wanhopige acties baten.
Ze was voorbestemd om overgeleverd te worden aan haar eigen hongerige obsessies. Alhoewel ze verstrikt was geraakt in haar eigen ingenieuze web van lust en verliefdheid, kon ze zich het niet opbrengen om ook maar een enkele stuiptrekking te maken. Want ze wilde juist helemaal niet weg, niet vrij zijn uit haar web. De verstikking was voor haar juist een bevrijding. Want was er niets heerlijker dan regelmatigheid en standvastigheid? In haar eigen benauwende gevoelens was er gelukkig geen ruimte voor verandering.
Want juist als je iets niet verwacht, gebeurt het. Langzaam begon ze met haar wijsvinger de ruwe materie van de muur te bevoelen. Verloren, voelde ze zich. Plots hoorde ze stemmen van achter de bekende deur komen. Zij kwam eraan. Het was afgelopen. Ze wist van spanning en verwarring niet meer wat te doen. Opstaan? Wegrennen? Blijven zitten? Gaan praten?
De rozige deur ging langzaam open.
“Veel succes in ieder geval,” sprak een honingzoete stem.
“Ja, nou, in ieder geval hartstikke bedankt hoor!” zei een tweede, oudere en zwaardere stem.
Ze kon alleen maar kijken en verlangend staren. De bezoekster van middelbare leeftijd was weggelopen, enkel de kleur van haar jas was te onderscheiden in de slechtbelichte schoolgang. In de deuropening stond zij nog. Ze was jong, slechts 28 en had kort krullerig blond haar. Met een speelse glimlach om haar lippen keek ze het meisje aan dat op de stoel naast de deur wat plompverloren zat te staren. Ze stapte vanuit haar lokaal de gang op en ging naast haar leerlinge staan.
“Zo, wil je ook even komen praten over je betoog?” grapte ze.
Het meisje glimlachte verlegen en zocht wanhopig haar herseninhoud af naar een leuke anekdote. Maar die kwam niet.
“Euhm, ja, zou leuk zijn,” mompelde ze,” maar ik ben al wel bezig met mijn herkansing hoor. Ik heb al een proefbetoog geschreven.”
“Goh, echt?” vroeg haar lerares oprecht geïnteresseerd.
Het meisje kneep haar dieproze lippen op elkaar. Waarom kon ze nou niets zeggen?
Toen ze hier om half zeven aan gekomen was, had ze zelfverzekerd de deur van de ingang opengeduwd. Gedurende haar uitdagende fietstocht naar school had ze allerlei leuke dingen bedacht die ze zou kunnen zeggen. Over dat ze Nederlands ging studeren, over boeken die ze had gelezen, over boeken die ze graag haar lerares wilde aanraden en zo nog vele andere. Maar nu ze hier zat, met haar grote verlangen vlak voor haar, klapte ze dicht. Ze wist niet meer wat ze wilde zeggen, het maakte allemaal niks uit, zolang ze maar naar haar kon kijken. Als ze haar zag, was alles goed.
Het meisje keek op en haar blik viel meteen op de stralende frisse grijsgroene ogen van haar lerares. Deze glimlachte weer. Maar nu was er iets storends in het beeld. Want het holle geluid van naderende voetstappen bereikte haar oren. Kwam er nou alweer iemand aan? Ook haar lerares keek op en en verwelkomde vriendelijk de volgende ouder.
Het meisje staarde verdrietig naar haar lerares en de andere vrouw. De deur zou zo wel weer dichtgaan, bedacht ze.
“Doeg,” zei haar lerares zachtjes en ze zwaaide terwijl ze de deur achter zich terugtrok.

De deur was dicht. De gang was bijna leeg. Nog enkele ouders dwaalden al zoekende rond, met verfromfraaide papiertjes in de hand en een door haar ingeschonken bekertje koffie.
Nu was het te laat. Nu kon ze het wel vergeten. Ze kon nu net zo goed wel terug naar huis gaan. Ze zou haar toch niet meer spreken. Verslagenheid maakte zich meester van het meisje. Zuchtend stond ze op en ging ze op zoek naar haar koffiekarretje. Dan maar weer gewoon koffie rondbrengen.
“Wilt u ook nog iets in de koffie?” vroeg ze beleefd aan een kalende man die verlekkerd naar de koffie staarde.
De man schudde zijn hoofd. “Nee, dankjewel, zwart graag.”
Het meisje glimlachte. Ze vond mensen die hun koffie zwart prefereerden altijd sympathieker. Hoe het precies kwam, wist ze ook niet. Dat ze het zo was, daar was ze zeker van. Haar lerares dronk haar koffie ook zwart.
De avond begon aan zijn einde te lopen. De meeste ouders waren al naar huis en het meisje had zelfs al afscheid genomen van verscheidene leraren. De school leek steeds leger te worden en de rust begon weder te keren. Over een uurtje zou ze klaar zijn en naar huis gaan. Niet dat ze het erg vond, koffie schenken op de ouderavond. Nee, zeker niet. Dit jaar was haar laatste jaar, dus probeerde ze zich zoveel mogelijk met school bezig te houden om nog maximaal te kunnen genieten van haar laatste maanden.
Ze schuifelde weer loom met haar karretje langs lokaal 02, het lokaal van haar lerares. Het licht was nog steeds aan. Ze bracht het koffiekarretje tot stilstand en zachtjes liep ze naar het raam. Als ze lichtelijk op haar tenen ging staan, kon ze precies het lokaal binnen kijken. En ja hoor, daar zat ze, geanimeerd in gesprek met de zoveelste ouder van deze avond. Tweeëntwintig had ze er, dat had ze gezegd.
Toen ze het einde van de lange gang had bereikt, ging de zoemer af. Vanaf een afstandje kon ze de deur weer open zien gaan. Ze werd opeens jaloers op de deur, op het object dat altijd zo dichtbij haar kon zijn, zonder er ook maar enige moeite voor te hebben hoeven doen. Was ik maar een deur, verzuchtte het meisje.
Haar lerares sloot de deur af, pakte haar tas van de grond en begon te lopen. Snel graaide het meisje blindelings naar haar kar, ze wilde ook snel de gang uit. Ze wilde snel de koffie opruimen, naar de lerarenkamer lopen en dan haar daar tegenkomen. Zo hoorde het. Zo zou het moeten gebeuren.

Haar handen traceerden de zijdezachte rondingen terwijl ze de geur van haar liefste probeerde op te nemen. Hoe kon iets zo heerlijk en perfect zijn? Ze kuste de donzige lippen en inhaleerde de geur van haar goudkleurige lokken. Iemand kreunde. Er was licht. Perfectie in haar zuiverste vorm. Liefde.

En toen werd het meisje weer wakker. Ze herinnerde zich de vorige avond. Hoe ze blij was geweest dat ze ’s avonds op school had mogen zijn, hoe treurig ze de school die avond had verlaten en hoe ze toen van ongelukkigheid aan het drinken was geslagen.
Zacht snikkend stapte ze uit haar bed. Vandaag moest ze weer met een uitgestreken gezicht bij de les verschijnen. Misschien werd haar lerares vandaag wel spontaan verliefd op haar. Blijven hopen. Altijd blijven hopen.

1.117 woorden. 18/19-11-2003 ©


zaterdag, november 1

Ontdekken

Fragment uit roman-in-wording.

Ik kreunde van luiheid zodra ik de zonnestralen op mijn slaperige gezicht voelde schijnen. Waarom wilde die verrekte zon toch iedereen wekken? Ik wilde nog helemaal niet wakker worden, ik wilde heerlijk lang luierend in mijn bed blijven liggen. Een bed, nouja, een slaapzak was een ietwat preciezere verwoording.
Toen hoorde ik haar zachte ademhaling naast me en van verrukking kon ik simpelweg niets doen behalve kijken. Bevroren staarde ik naar haar ontspannend gelaat, een glimlach van geluk op haar lippen zwevend. Ik had nooit kunnen dromen dat ik zo gelukkig zou zijn. Dat ik ooit degene zou zijn op wie iedereen jaloers was, omdat ik er domweg blij en vrolijk uitzag. Nu was ik dat eens! Nu was ik niet meer het eenzame meisje dat naar liefde hunkerde, nee nu bezat ik zelf het kostbaarste der kostbaren.
Ik giechelde zachtjes en wreef de krullende lokken uit haar gezicht. Wat was ze toch mooi. Té mooi. Want hoe kon iemand die zo verschrikkelijk mooi was van iemand zoals mij houden? Ik begreep het nog steeds niet, maar ze bleek van me te houden. Anders was ze al lang bij me weggeweest. Maar ze was er nog steeds, naast me, slapend.
Al maandenlang waren we samen geweest. Alleen zij en ik, en de auto. Reizend naar allerlei plekjes waar we tot voor kort alleen nog maar van hadden kunnen dromen. Dat geluk zo dichtbij kon zijn, daar verbaasden we ons allebei over.
Rusteloos draaide ze zich om in haar opengeritste slaapzak. Het kon ’s nachts nog steeds flink warm worden in Duitsland, vooral nu het bijna augustus was. Veel Nederlanders onderschatten de temperaturen in hun buurland, waar het iedere zomer zo’n tientallen graden warmer kan zijn in moederland Holland. Maar wij vonden het heerlijk, Duitsland. Er stonden natuurlijk nog vele andere landen op het programma. We wilden zoveel mogelijk zien, beleven en opnemen als we maar konden in deze drie maanden.
“Hmmm.” Ik herkende haar kreuntje van genot uit duizenden. Al vele malen heb ik haar gehoord, meestal veel harder en gepassioneerder dan dit. Maar haar zachte ochtendkreuntje is wel het meest lieflijke geluidje dat ze in haar reportoire had. Stilletjes leunde ik over haar, zoekende naar de tekenen van haar wakkerheid. Haar hand kroop langzaam naar haar gesloten ogen. Weer kreunde ze zachtjes en wreef loom in haar oogleden. Toen opende ze haar prachtige groengrijze ogen en staarde ze me aan.
“Mmm,” mompelde ze,” wat ben je vroeg wakker.” Met haar rechterhand frummelde ze aan de mouw van mijn pyjama. Ik knikte en gaf haar een zachte ochtendkus op haar droge lippen. Ze glimlachte en ging rechtop zitten.
Ze zag er kaal uit in haar lichtroze nachtponnetje, maar tegelijk leek ze de puurheid zelve. Zo naakt, zo onaangeraakt en zo onschuldig. Ik lachte in mezelf, want we wisten allebei dat ze geen van beide was. Toen stond ze op en pakte een handdoek van ons zelfgefrabriceerde waslijntje voor de tent.
“Ik ga douchen,” zei ze, geheel overbodig. De zon bescheen het frisse bebloemde grasveldje waarop onze tent geplaatst was en mijn liefste stapte parmantig tussen de kleurige creaties door. Ik zuchtte weer eens.
Even later staarde ik een beetje doelloos door de tent. Ik had het hier nou voorlopig wel weer gezien. Duitsland was best leuk, maar vier nachten in een tent slapen was nou ook niet echt mijn idee van een droomvakantie. Het was natuurlijk een droomvakantie, dat moest ik toegeven, omdat ik bij haar was, maar toch. Alles gaat opeens een stuk beter als je in een luxueus vijfsterren hotel in je whirlpool ligt, zei ik altijd maar.
Ja, dat was een zeer geschikt idee, ik besloot het voor te stellen zodra ze terugkwam van het kille douchehok dat zich vlakbij ons grasveldje bevond. Mijn sluimerende luiheid dwong mij om nog maar wat rond te hangen op mijn luchtbed en aldoor neuriënd legde ik mezelf te rusten. Ritmisch ademend sloot ik mijn ogen, een grote slok zuurstof snoof ik door mijn neus binnen, ik droomde zachtjes weg.
Opeens was ik ergens anders. Ik was bang, dat gevoel herkende ik nog heel goed. Angst, beklemmende angst die je keel doet samenknijpen, angst die je verbiedt na te denken. Ik kon ook niet meer denken. Mijn mond opende zich, maar gillen kon ik niet. De angst nam toe, als in een clichè droom probeerde ik de weg naar buiten te vinden, maar mijn voeten leken aan de vloer genageld te zijn. Toen kwamen de geluiden, de indringende gil, de roep om hulp. En weer wilde ik helpen, ik wilde er iets aan doen, maar ik kon niets. Eerst had alles vaag geleken, maar nu kwamen de kleuren en de vormen langzaam terug. Ik deed mijn ogen dicht om niet te zien wat er zich voor mij afspeelde, maar het bleek niet te helpen. Ik zag alles. Gewoon weer. Alsof het de simpelste en onschuldigste zaak van de wereld was. Ik voelde het zweet over mijn rug lopen. Al het gevoel was uit mijn lichaam verdwenen.
Mijn lichaam schudde heen en weer. Langzaam voelde ik mijn vingers weer, ik rook geuren en warme lichtstralen beschenen mijn oogleden.
“Gaat het?” Ze zat met een bezorgde blik over me heen gebogen. Ze zat heel dichtbij me en van haar vochtige haar vielen langzaam druppeltjes op mijn borst. Ik knikte en ging rechtop zitten. Ik hoopte dat ze niet had geraden waar mijn droom over was gegaan, want ik was maar al te bekend met haar diepgaande schuldgevoelens. Dus probeerde ik vrolijk te glimlachen en begon haar te vertellen over mijn nieuwe reisplannen.

Waarom waren we eigenlijk weggegaan? Ik wist nu waarom, maar zij deed nog steeds alsof het er niets mee te maken had. Alsof ze gewoon weg had gewild, al jaren geleden en dat dit de perfecte kans was om eindelijk weg te gaan van haar vertrouwde appartement, haar baan en haar leven. Alsof het niets voorstelde om een leven van zevenentwintig jaar zomaar achter te laten. Maar toentertijd had het mij niets uitgemaakt, ik had gedacht dat ze oprecht deze keuze had gemaakt. Ik was dol en blind van verliefdheid. Overgelukkig dat dit goddelijke schepsel samen met mij weg wilde, dat ze samen met mij nieuwe werelden wilde ontdekken.
Hoe frappant het toch is dat verliefdheid zo kan veranderen. Niet dat ik niet meer immens veel van haar hou, maar de onbeheerste allesomvattende verlangende verliefdheid is was afgenomen, nu pas zie ik wat zij werkelijk is. Dat ik ooit zo onschuldig en goedgelovig heb kunnen zijn. Als ik niet zo verliefd was geweest, dan had ik me niet zo laten meeslepen, dan was alles zoveel anders gelopen.
Dan had ik geen levens geruïneerd.