maandag, december 27

Eigenwijs verlaten


Leaving cockey


Nu zal ik een verhaal gaan schrijven.
Eindelijk weer.
Geïnspireerd door Simon Cook en Jonathan Ross.
Both British, both gorgeous.


Ze had altijd wel geweten dat het op een dag voorbij zou zijn. Maar het was meer een waarneming dan een houding geweest, ze wisten allebei dat ze niet voor eeuwig zouden zijn. Nooit was er sprake geweest van een echt einde. Behalve nu.
Ze had gezworen niet te huilen. Niet voor die klootzak- hij die altijd zo oprecht was geweest, maar nu zou hij gehaat worden. Hij had haar alleen gelaten en was verder gegaan met dat waar hij tijdelijk mee was gestopt. Doordat hij al constant vanaf het begin over hun eindigheid was begonnen, was het haar niet opgevallen toen hij serieus werd. Vastberaden hun moois ongedaan te maken alsof het nooit had bestaan.
Ze kon zichzelf wel ongelofelijk veel pijn doen. Als het enig nut had gehad had ze het dan ook zeker gedaan. Maar ze wist dat het niets uitmaakte, alles was verloren. Ze was zó dom geweest. Nooit had ze zichzelf toegelaten te geloven in het belachelijk concept van de liefde. Totdat ze hem had gezien, het was haar droom. Ze hadden dan ook geen echte relatie, juist dat hield haar op de been. Het was haar eigen heerlijke editie van volmaakte liefde. Tenminste, dat had ze al die tijd zichzelf laten geloven. Feitelijk kwam het gewoon goed uit voor hem.

Al die maanden had ze naar hem in verslindende stilte verlangd. Met als doel van het onbereikbare te genieten. Het was heerlijk, voor zolang het mocht duren. Toen begon hij haar langzaamaan op te merken. Idioot, had ze geroepen, dat hij haar opmerkte tussen al die honderden studenten. Ze was niet mooi, ze had geen mooi lichaam, kleedde zich niet bijzonder en had geenszins een bijzondere factor in haar uiterlijke verschijning. Haar enige troef was iets dat niemand kon zien- haar geest. Nu bleek dat nu ook niet bepaald het aspect dat hem in haar aantrok.
Dat was juist het heerlijke aan hun affaire, het was zo beestachtig lustvol. Pure aantrekkingskracht. Het praten en het leren kennen kwam later, als logische bijzaak. Ze waren gewoonweg ziekelijk compleet verliefd. Als van die jonge hormonale gekke meisjes, die alleen maar aan hun liefde kunnen denken en al het andere vergeten. Zo waren zij. Onbenullig gelukkig.
Maar het walgelijk stomme met de liefde is dat het maar zo tijdelijk is. Niets is voor eeuwig, hoe krampachtig je er ook in wilt geloven. Ze had het zichzelf ook nooit voorgehouden dat ze samen nog lang en semi-gelukkig zouden leven. Toch was het er na enige maanden onbewust ingeslopen. Hoe langer het goed ging, hoe langer ze het nog fijn hadden, hoe groter de kans op samen blijven, niet? Totdat hij die dag zijn keel schraapte en ze onmiddellijk wist dat er iets heel erg fout was.
Zij schroomden nooit iets, niet samen. Geen hete brij waar omheen gedraaid werd, geen leugenachtige cliché 'ik hou van jou's en niets waar moeilijk over gedaan werd. Het was de meest primaire vorm van twee mensen die bij elkaar zijn, zonder enige vorm van maatschappelijke regels. Totdat hij kuchte. Toen was het meteen fout.

“Ik weet niet hoe ik dit moet zeggen. Ik zeg het maar, dit is blijkbaar onze laatste ontmoeting.”
“Wat?” Ze wist het. Alles raasde in miliseconden door haar hersenen. De vrouw, ze was terug, ze had iets door, hij moest wegblijven, voor altijd. Godver- krak.
“Je weet dat ik altijd heb gezegd dat dit,” en hij gebaarde wild naar hun beslapen bed, “niet voor lang kan zijn.”
“Ja,” fluisterde ze zachtjes. Ze moest toegeven, aan hem. “Maar,” maar ze wilde helemaal niet, “alsjeblieft, kan je het niet uitleggen? Ik bedoel: waarom nu?”
Hij zuchtte diep. “Ik heb geen tijd voor dit sentimentele gedoe. Ik dacht dat we het hier over eens waren.” Hij leek zo stijf, gevoelloos en onaangedaan.
“Oh God! Wat is dit voor ijzige houding nu opeens? Kom op, je kan me toch niet proberen te zeggen dat het allemaal weg is, zomaar?” Ze probeerde niet hysterisch over te komen, maar ze vreesde voor het ergste. Ze voelde de tranen al over haar wangen lopen.
Hij klemde zijn handen woedend op elkaar. “Nee! Het is niet weg! Het is ook moeilijk voor mij, maar het moet! Ik ben de klootzak hier. Jij bent het niet die iedere dag een leugen moet leven! Iedere keer kiezen, tussen liefde en trouw.”
“Eigen schuld.” Het was nu niet alsof ze hem gedwongen had zijn vrouw te bedriegen met haar. Maar ze moest toegeven dat ze het niet anders had gewild.
“Wat?”
“Och, stel je niet aan. Doe nu niet alsof je geen woord Nederlands verstaat, meneer ‘Ik ben Brits’.” Stiekem moest ze denken aan hun eerste rendez-vous, toen zij zich nog niet bewust was van zijn uitgebreide kennis van de Nederlandse taal, die hij wijselijk verborgen hield.
“Ik moet nu weg. Alsjeblieft, maak het niet moeilijker dan dat het al is. Kom niet naar mijn office hours.” Hij deed zijn jas dicht en pakte zijn zwarte lederen tas.
“Maak je geen zorgen. Ik zal voor altijd bij je weg blijven. Ik zal je negeren, zodra ik je denk te zien. Het zal zijn alsof we elkaar nooit hebben ontmoet.” Ze snotterde luidruchtig, rukte haar jas en tas van bed en stormde de kamer uit.

Binnen had het hart krak gezegd, maar nu, terwijl ze met horten en stoten naar het station rende, viel het in de duizenden stukjes op de grond. Zo ver uit elkaar verspreid dat ze nooit meer terug gevonden konden worden. Iedere stap die ze zette deed meer pijn. Sterven aan liefde, dat leek nu te dichtbij. Ze wilde niet meer, gewoon niets meer. Kon ze maar gewoon even ophouden met voelen.
Alles vloog door haar hoofd en het deed allemaal zo’n pijn. De mooie herinneringen, de warme, hete emoties die ze nog op kon roepen uit voorgaande ontmoetingen. Het was zo kort, zo vluchtig en zo mooi geweest. Veel te mooi om waar te zijn. Maar nu ze het eenmaal had gekend, zat ze vast in een beklemmend net van verlangen. Ze kon niet meer niet naar hem verlangen. Het zat te diep, het was te bekend. Binnen een seconde kon ze oproepen hoe zijn vingers op haar huid voelden. Dat kón ze niet kwijt zijn.

De spiegel keek hem aan, de bekende spiegel. Hoe vaak hadden ze er niet samen voor gestaan? Ongelovig van hun eigen verlangen, dat het niet na een keer opgehouden was met bestaan. Hij had geweten dat het fout was, iedere keer dat hij een blik wierp op zijn bekende gouden ring. Maar hij kon niet anders. Je vrouw bedriegen is walgelijk laag, maar liefde verraden en negeren is een zonde van een heel ander niveau. Nu had hij het waarschijnlijk allebei vernield. Vanavond lag hij weer naast zijn bekende en ooit geliefde vrouw. Maar in zijn hart zou nog steeds dat meisje zitten, waarvoor hij meer had gevoeld voor wie dan ook op de wereld.
Oh, wat zou hij haar missen.

Hij voelde haar adem heet en onrustig in zijn nek. Alsof ze hem onmiddellijk zou doorzien en bespringen zodra hij een verkeerde beweging maakte. Hij poogde zo onschuldig mogelijk doodstil te blijven liggen, maar zelfs het ritme van zijn ademhaling leek overspeligheid te dicteren. Hij was enerzijds bang voor het feit ontdekt te worden, maar anderzijds kon hij niet wachten bevrijd te worden van zijn zware last. Waarom merkte ze nu niet dat hij niet meer verliefd op haar was? Hoe kon zij hem nog bij zich willen houden? De gedachten van een door gekte vervulde man- hij die niet meer rationeel na kon denken.
Zijn vrouw lag stilletjes te woelen, ze wilde haar man niet wekken. Ze begreep maar niet waarom hij zo anders deed, zo vreemd. Hij was net een door schuld verteerd kind, dat uit angst niet kon biechten. Zijzelf durfde niet eens te denken aan de mogelijkheden van zijn daden. De laatste jaren waren ze langzaam van hun zonnige piek naar een mistig dal afgedwaald, gevolgen die in een huwelijk nooit te stoppen zijn. Als het goed begint, eindigt het altijd slechter.
Hij werd gek. Wist niet meer wat hij moest denken of doen. Hij had er een punt achter gezet voor zijn huwelijk, dat was de verstandige beslissing geweest. Waarom had de juiste keuze dan geen gunstig effect? Waarom voelde hij zich alleen maar meer ongelukkig?

Dat liefde kan bestaan
dat alles goed kan gaan
't is vuurwerk
?

zaterdag, maart 20

Verwarming

[proloog]

Een Nederlandse meteroloog had het weer als 'stormachtig' kunnen bestempelen, zo hard woei de wind en liet zij haar oneindige voorraad tranen op de aarde neerdalen.
Niemand verliet hier de minieme geborgenheid van de woningen, hotels of zelfs tenten.
De wind leek nooit de hoop op de volledige destructie van de aarde en al haar bewoners op te geven, zij ging onvervaard door met de taak die ooit aan haar was toebedeeld.
De lucht was hevig bewolkt, donkere grijze wolken hadden tijdelijk de heerschappij van het luchtruim over genomen, geen glimp kon een argeloze tuurder opvangen van de maan en haar sterrenzusters.
Ze was tevreden met de omstandigheden, dit weer vroeg gewoonweg om een tragisch noodlot.
Dat was maar goed ook, anders had ze zich misschien nog bedacht.
Alhoewel ze hier nog niet zo lang was en alle smalle steegjes op elkaar leken, wist ze met onevenaarbare subtiele snelheid haar bestemming te bereiken.
De nacht had haar gestreeld als een moeder haar verontruste en bange kind, ze had bevestiging gevonden in de wilde schoonheid van de storm.
Even was ze zelfs alles vergeten, toen leek ze net een dolgelukkige verdwaalde jonge vrouw.
Toen keerde de kilte en de kou weer terug in haar vastberaden lichaam.
Met drie harde uithalen had ze hem in zijn romp gestoken.
Hard, onbevreesd en moedwillig.
Kreunend had ze het zilveren scherpe bovenstuk in zijn lichaam geduwd.
Pas na een paar seconden was het bloed door zijn overhemd heen gesijpeld.
Hij had nog 'au' gemompeld, maar zij ging onbeïnvloed door.
Die nacht had ze heerlijker geslapen dan ooit tevoren.
Na lange omzwervingen langs haar favoriete stroom van water was ze tot zichzelf gekomen. Niet dat ze angstig was geweest, integendeel, ze was nog nooit zo zeker van haar zaak geweest als toen.
Op een vreemde manier had ze zich trots en voldaan gevoeld.
Voor de allereerste keer had ze aan zichzelf gedacht, aan wat zij wilde en verdiende.
Haar bed had haar verwelkomd met een overdadige warmte; ze had geslapen.


I


Hij schoot overeind, in een ruk, alsof iemand minutenlang naast zijn bed zijn naam had staan fluisteren en hij nu pas terugkeerde uit zijn diepe slaap. Maar er stond niemand naast zijn bed, zijn hele kamer was leeg. En donker. Na een vluchtige blik op zijn wekker te hebben geworpen, kon hij vaststellen dat het drie uur ’s nachts was. Het bekende zeurende gevoel was weer terug. De hongerige lust die hem al weken achtervolgde, veelal in zijn slaap, maar ook dikwijls de kop opstaat tijdens lange collegesessies over de psyche van de mens in relatie tot de invloed van de moderne maatschappij.
Hij likte zijn lippen, gromde en kroop overeind. Beslist baande hij zich een weg naar de deur van zijn kamer, hij wist dat hij niet eerder in slaap zou vallen voordat zijn behoefte bevredigd was. De deur leidde hem naar de gemeenschappelijke huiskamer van hem en zijn twee huisgenoten, hij hoopte maar dat hij niemand wakker zou maken.
“Leon?” Hij had dus wel iemand wakker gemaakt.
“Ja? Pieter, ben jij dat?” Langzaam deed hij een paar passen naar voren zodat hij zijn huisgenoot op de bank kon zien liggen. Nog nooit had hij Pieter in een gelijksoortige positie aangetroffen, de jonge man was slechts gekleed in een boxershort en een openhangende wijde blouse. Het meest opvallende was nog wel dat hij uit zijn doen leek, bijna nam Leon een vochtige vlek onder zijn ogen waar.
“Sorry. Ik was gewoon-,” Pieter wreef zijn ogen schoon met zijn mouw. Leon voelde zich meteen schuldig door zo onverhoopt tijdens het privémoment van zijn vriend zijn luidruchtige lust te proberen te bevredigen. Hij ging wat timide naast hem zitten op de bank.
“Pieter, wat is er?” De donkerblonde jongen keek hem wat onzeker aan. Leon hoopte dat hij geen vreemde indruk op hem maakte. Hij kende Pieter al wel wat jaren, maar niet op een intensieve basis zoals de meeste van zijn vrienden. Pieter was meer zoiets als dat men een ‘kennis’ noemde, maar dan ook nog toevallig een huisgenoot.
“Niks, niks, Leo. In ieder geval bedankt.” Pieter probeerde het vraagstuk zo snel mogelijk weg te wuiven, maar Leon liet zich niet met een kluitje in het riet sturen.
“Ik weet dat ik misschien vervelend ben, maar ik weet gewoon dat praten helpt. Echt- gooi het er nou maar gewoon uit.” Leon glimlachte hem toe. Ondertussen bleef zijn honger knagen, maar hij kon nu onmogelijk weglopen. Pieter beet op zijn lip en twijfelde zichtbaar.
“Maar dan pas als jij eerst wat chocolade hebt gehad, want zo werkt het natuurlijk niet.” Leon keek hem met open mond aan.
“Hoe weet jij dat?” Pieter grinnikte.
“Als jouw huisgenoot merk ik het echt wel als je vreemdsoortige op chocolade gebaseerde behoeftes hebt.”
Leon sprong op van de bank en snelde naar de keuken.
“Tweede laadje in het kleine houten kastje!” riep Pieter hem na.

donderdag, maart 4

Co-productie: Het manifest


Zat Van De Wereld En Alle Mensen Erin
(Vooral Mannen en Onvriendelijke Vrouwelijke Personen)
Een Serieus Manifest Met Lichte Ironie
_______________________________________________________
Hoofdstuk I

Over Ons En Het Waarom
About Us And The Why

“There are a fucking lot more things to love than just plain love.”

Nee.
Het is een heel simpel woord dat op een dag in Nederland wel zo’n (pak ‘em beet) miljoenen keren wordt gezegd. Door ouders tegen hun jengelende vervelende en irriterende kinderen die ze toch weer (had ik me toch niet voorgenomen om hem thuis te laten?) mee hebben genomen naar de supermarkt. Maar dat is niet alles. Wat dacht je van liefdesrelaties die opbreken, mannen die wederom een betoog houden dat als vrouwen ‘nee’ zeggen, ze toch écht ‘ja’ bedoelen, huisdieren die over de scheef gaan (‘nee Sterre, niet wéér dat arme musje urenlang martelen zonder het op te eten’), leraren die aan leerlingen vragen of zij dat projectiel door de klas (richting leraar) gooiden of tot slot, als je weer eens in zo’n verhoorkamertje van de politie zit en ze je vragen of je ‘hem hebt vermoord’, waarop je antwoord logischerwijze ‘nee’ is.
Toch jammer, want ‘nee’ is een ontkennend, afwijzend negatief woord. ‘Ja’ zou ons Nederlanders (en/of Belgen) toch zeker niet misstaan, een heerlijk bevredigend vrolijk en bevestigend woord. Maar nee (hier gebruiken wij het woord zelfs zelf!), wij als conservatieve wereldburgers houden liever vast aan de oude trouwe ‘nee’.
Ook wij zijn te vaak platgegooid met mismaakte onjuiste en niet op hun plaats zijnde ‘nee’s. Want wij verdienen toch immers geen afwijzing? Wij zijn Renée en Roos, twee lieve wulpse en intelligente achttien (nouja, Renée is op weg naar de achttien) jarige lieftallige jongedames. Je zou zeggen: twee van zulke meisjes, wat moeten die nou met een ‘Serieus Manifest Met Lichte Ironie’? Nou, deze ‘meisjes’ willen zaken die iedere dag voor normaal doorgaan aan de kaak stellen en zo proberen te begrijpen en bestrijden. Want wij hebben, zelfs in onze korte periode van (nog niet eens) achttien jaar al veel geleden. En nee, dat is geen grapje en ook geen ironie. Toch zijn wij het zat. Waarom zouden wij door onnozele walgelijke en buitensporig kwaadaardige acties van Andere Mensen moeten lijden? Terwijl wij geenszins kwaad, achterbaks of zelfs evil zijn.
Wij zijn op zoek naar liefde, acceptatie en succes. (But aren’t we all?) Toch heeft ervaring ons geleerd dat het eerste punt (liefde) vaak het tweede en derde (acceptatie en succes) in de weg staan. Nu is misschien ‘three out of three’ wel veel, maar toch willen wij met ons Manifest de weg voorbereiden door het eerste punt te proberen te elimineren om vervolgens punt twee en drie te bereiken. Want ware liefde, kom op, lach eens hard (broeha!) en ga dan weer door met lezen, want dat bestaat gewoonweg niet. Je moet gewoon ongelooflijk veel geluk hebben net iemand tegen te komen die jouw onweerstaanbare charmes niet kan weerstaan en werkelijk verliefd op je wordt, precies op dat moment als jij ook verliefd op hem/ haar wordt. (En dan moet je maar net allebei toe zijn aan een ‘long term relationship’ en geen last hebben van oa. bindingsangst, impotentie, een massive leeftijdsverschil of onbegrensbare jaloezie.) Al met al is het snel duidelijk: ‘there are a fucking lot more things to love than just plain love.’
Vervolgens kan punt twee ook op wat sociaal-maatschappelijke strubbelingen rekenen. Acceptatie krijg je als mens namelijk vooral van de mensen waar je (vrijwillig) veel tijd mee doorbrengt, de so-called vrienden. En hier kunnen vaak vele venijnige adders (of mussen, of een andere diersoort naar keuze die een bepaalde vorm van agressiviteit neer kan zetten) onder het onschuldige groene gras met dauwdruppeltjes op de loer liggen. Vriendschap is vandaag de dag namelijk iets dat vele mensen om onbegrijpelijke redenen zomaar achter zich gooien, door bijvoorbeeld vrienden te verraden, belachelijk te maken, over hen te roddelen of door zelfs potentiële huwelijkspartners van deze ‘vriend’ in de pikken. En dat kan niet. Absoluut niet. Daarom is een lesje in vriendschappen ook wel zo handig, al zeggen wij het zelf vanuit onze eigen ervaringen.
Wat voor ervaringen hebben wij dan zoal? Nou, voor deze speciale gelegenheid zullen wij wat pikante details uit de doeken doen die je bij de gemiddelde literaire auteur niet tegenkomt (hè Harry, hè Leon?), op onze Gerard na natuurlijk.
Renée zal het lekkere stukje spits afbijten, zij heeft vele heftige (en soms zelfs diepgaande) ervaringen met mannen gehad, zowel foute als correcte, waar zij verschillende mentale toestanden aan over heeft gehouden. (Wij noemen: ‘Het grijpen naar de drank’, ‘Het grijpen naar het eten’ of ‘Het grijpen naar willekeurige voorbijgangers op straat’.) Haar vertrouwen in ‘De Man’ hangt op dit moment aan een zijden draadje dat op het punt staat te knappen.
Roos, daarentegen, heeft al enige tijd haar heil gezocht in mensen van haar eigen geslacht (‘vrouwen’ heten die), zonder enig succes natuurlijk. Haar ervaringen met ‘De Liefde’ zijn nog nooit wederzijds geweest, wat voor haar geresulteerd heeft en heftige depressie-, eet- en kwijlaanvallen.
Het enige waar wij nog plezier aan beleven is het samen doorbrengen van de tijd (door bijvoorbeeld te eten, drinken of grijpen), waarbij nog regelmatig intellectuele onderwerpen de revue passeren. Wij hadden zo ook onze meningen over Bush (boe! tegen homohuwelijk!), de oorlog in Irak (boe! Bush!), Jan- Peter en z’n normen en waarden (boe! Bushkontlikker!), de moord op de civetkatten (boe! arme poesjes!) en de zwartekoppenziekte in de lokale kalkoenregionen (aw! zieliezielie kalkoentjes!).
Zo zie je maar weer, dat lol ook heel actueel en leerzaam kan zijn, zoals deze altijd bij ons is. En met deze woorden willen wij ons inleidend hoofdstuk afsluiten en de lieve lezer leiden naar het volgende hoofdstuk waarin wij deze vieze varkentjes (of mussen, of een andere vieze diersoort naar keuze) eens flink gaan wassen!


Hoofdstuk II


Waar Wij Voor Op Onze Hoede Zijn: De Zaak Van Het In Het Hoekje Schuilende Gevaar
The Things That We Are Terrified Of: The Case Of The Sneaky Danger

“Speur, Herken, Analyseer, Grijp In en Beeïndig!”

De gemiddelde mens is zijn gehele leven wel honderden (of als je wat zenuwachtig aangelegd bent, zelfs duizenden) keren bang. Deze angst kan variëren van een lichte schok tot ware doodsangst. En wij, als de originele unieke individuen die wij zijn, moeten dan allemaal een soort persoonlijke (lichtelijke) fobie hebben. Een willekeurige lezer zou zich nu af kunnen vragen wat een fobie precies inhoudt, voor deze onwetenden op het gebied van de Freudiaanse psycholoanalyse zullen wij het nog even aanstippen. Een fobie is de angst voor iets (denk aan een diersoort zoals een vogelbekdier, of een gebeurtenis zoals de planten water geven) die absoluut ongegrond is. Een neushoornfobie is dus helemaal niet zo’n typische fobie als jij in je kinderjaren al tientallen malen door een dergelijk gepanserd zoogdier op de (neus)hoorn genomen bent. Mensen met pleinvrees of smetvrees kunnen wel tot deze ‘fobie-groep’ worden gerekend.
Op Renée haar claustrofobisch aangelegde gedragingen zodra zij zich in een afgesloten ruimte bevindt, Roos haar ongegronde angst voor (rol)trappen, treinen (vooral tijdens het instappen), vissen (“Deze diersoort is dood op z’n engst,” aldus Roos), hoogtes, bloed en polsen lijden onze heldinnen geheel niet aan fobieën.
Maar laten wij ons nu op de angsten toespitsen die relevant zijn voor ons manifest. Misschien is ‘angst’ niet direct de juiste bewoording, we doelen eigenlijk meer op een zaak als ‘er voor op onze hoede zijn’. De volgende kenmerken, verschijnselen, diersoorten en sociaal-maatschappelijke groepen zijn overduidelijke signalen van Slechtheid.
1. Mannen
De Man, wie kent hem niet? Het stereotype macho-gedrocht, het intraverte studiebolletje, de hedendaagse (zich kapot ‘de liefde bedrijvende’ [en dat is sarcasme!]) player of zelfs de ‘brave’ vader van drie kindertjes waar jij de kersverse jonge minnares van bent. Met andere woorden: mannen komen in vele soorten en maten, vaak de letterlijke belichamingen van heuse stereotypes. En de onderliggende boodschap is nu al: alle mannen zijn slecht, fout, lelijk, vals, slecht in bed, crimineel, onbetrouwbaar, onnodig, zwak, zinloos, dom, niet-intelligent, arm, onromantisch, zo a-cultureel als het maar kan, ongeïnteresseerd, asociaal, on-altruïstisch, slap, mentaal onderdoenend aan wezels of zelfs (de bekende mentale faler van het dierenrijk) miereneters, ongezellig, niet knuffelbaar en absoluut niet lief. (Meer argumenten volgen naar mate de lezer verder leest.)
a) Liefde
Wij vrouwen kennen toch wel de grootste mannen-misère uit ons liefdesleven, vandaar dat dit het eerste spannende punt is dat wij gaan aansnijden. Binnen de sectie van de romantiek (liefde, relaties, romance, one-night-stands, buitenechtelijke relaties of gewoon simpele ‘verkering’) zijn de typen mannen weer onder te verdelen in de ‘foute omschrijvingen’ waarin zij thuishoren. Zo heb je mannen uit je vriendenkring, mannen die aan machtsmisbruik doen (en die je dus vanuit professioneel oogpunt kent) of simpelweg ‘De Onbereikbare Man’, ons aller veelvuldig bekend.
• Vriendenkring
Iedereen die een niet overweldigend aantal vreemdsoortige stoornissen bezit, heeft wel een soort van ‘vriendenkring’. Een groepje van mensen die het redelijk tot goed met elkaar kunnen vinden en waartoe jijzelf ook behoort. Soms (ik herhaal: soms) bevinden zich ook mannelijke mensen zich in zo’n zogenaamde vriendenkring. Als jij als lief meisje (ja, het vlees is zwak) dan bezwijkt voor een willekeurige man binnen je vriendenkring, is je doodsvonnis in principe al getekend.
Want wat is er nou het probleem? Ten eerste is deze persoon dus een vriend, als je het vertelt, ben je er geweest (ja, of hij moet opeens van je houden, humpf- geloof je het zelf?). Ten tweede ontstaat er een ware groepshysterie als je het aan enkele vrienden (die dus tot deze vriendenkring behoren) vertelt, dit zal garant staan voor ware levensbedreigende situaties. Dan is er ook nog het mankement van ‘het fatsoenlijk blijven functioneren binnen je natuurlijke habitat’ (de vriendenkring dus). Door je verliefdheid en de aanwezigheid van je imaginary mr. right, zal jouw eigen omgang en gedrag slechts verslechteren, wat ook weer zijn invloed uit zal oefenen op de rest van je sociale leven.
Als het fout gaat, binnen de ‘relatie’ tussen jou en een ‘vriendenkring-lid’, staan al helemaal de muizen op de brandende schuur te dansen als de kat uit de boom is gevallen. Wraakacties binnen de vriendenkring zullen zonder aarzelen worden ingezet, waarbij zowel jij als je vrienden uit elkaar gespeeld worden. Tijdens zo’n verliefdheid zullen er altijd mensen bij betrokken worden die je er helemaal niet ‘bij’ wil hebben. Wees bij deze dus gewaarschuwd.
(Het zou hypothetisch gezien wel goed kunnen gaan hoor. Even. Voor die 0,0001%. Blijf geloven.)

Dit is nog lang niet het hele tweede hoofdstuk. Meer volgt spoedig. Blijf 'De Site' in de gaten houden.

woensdag, maart 3

De vrouw

I


Zij was het.
Mijn alles en tegelijkertijd alles wat ik nooit zou kunnen zijn. Als een klein en hulpeloos kind keek ik al die tijd naar haar op, als muze en als voorbeeld. Een onherbergzame onmogelijke vorm van iets dat je dolgraag wilt, maar er tegelijkertijd van weet dat je het nooit zult krijgen.
In haar dagelijks leven gaf zij les, bekwaam en met een flair van zelfvertrouwen. Ze wist altijd net iets strenger op te treden dan ze behoefte te zijn. Dat gaf haar juist dat geheimzinnige ondeugende, verborgen achter al dat stricte regime. Zij wist mij te boeien, te fascineren alsof ik een gedreven bioloog was die onderzoek deed naar de meest essentiële kenmerken van een bepaalde diersoort. Ik denk niet dat iemand kan begrijpen hoe of wat ik voor haar voelde, dat was het meest uitdagende. Een liefde te kennen die ik, en niemand anders, nog nooit gekend had.
Wie of wat betekende ik voor haar? Slechts haar tien jaar jongere minnares, als ik me zelfs al zo mag noemen. Of ze mij zo ziet is een tweede. Ik ben nog steeds bang voor haar. Diepgewortelde angst dat ze zich ooit op een dag realiseert dat ik helemaal niet ben wat zij nodig heeft. Het is al heel wat dat ik al zoveel heb bereikt, tegen alle verwachtingen in. Ook tegen mijn eigen verwachting in, eigenlijk. Wie had zoiets kunnen bevatten, het meest onmogelijke dat waarheid werd?
Ze kwam in mijn leven door haar werk, haar baan die tegelijkertijd mijn scholing was. Mijn lerares Nederlands, wie had zoiets ironisch kunnen bedenken? Ik, als boekenverslindster die gepassioneerd over literatuur kon praten en genoot van ieder klein radartje dat onderdeel was van de Nederlandse taal, die plots verliefd zou worden op de lerares die ditzelfde vak onderwees. Het zou net lijken alsof ik dit vak was gaan liefhebben door haar, terwijl eigenlijk het omgekeerde de waarheid was. Meestal was ik het die haar kon motiveren om boeken te lezen, ik bleek zelfs meer gelezen te hebben dan zij. Het liefst wilde ik dan lange gesprekken met haar voeren over boeken, literatuur, schrijvers, geschiedenis en allerlei andere belangrijke dingen in het leven. We praatten ook wel, best lang. Toch bleef mij haar beroep in de maag zitten, het was een obstakel omdat ik niet zeker kon weten of ze mij als mens mocht, of dat ze mij slechts bijstond als lerares.
Twee jaar lang heb ik zo voort geleefd, van les Nederlands naar les Nederlands. Trots was ik als ze weer een gesprekje met mij wilde, dan wist ik dat ik weer een uur vol kon praten. Het leek ook nog wonderbaarlijk goed te klikken, ze was in die tijd een van de weinige die mij begreep; of tenminste probeerde te begrijpen. Ze had wel een nadeel: ze was bijzonder streng in het becijferen, een doorn in het oog voor een op cijfers belust meisje als ikzelf. Logischerwijze knapte ik soms, tijdens haar lessen. Dan werd het me teveel, dan had ik gewoonweg te lang als kat op het spek gezeten. De waanzin lag altijd om de loer en soms kreeg ze me op een onbewaakt ogenblik te pakken. Ik klom er altijd wel weer bovenop, op een bepaalde vreemde manier leek ik toch heel sterk te zijn. Zelfs haar kon ik aan, twee jaren lang.
Op een bepaald punt binnen onze relatie, die strict leraar leerling was gebleven, vertelde ik haar dat ik schreef. Uiteindelijk vermoedde ik al dat ze er ooit eens naar zou vragen. Ik was beledigd geweest als ze het niet had gevraagd, denk ik. Toen ze de woorden dan ook uitsprak, was ik de hele dag vervuld van een blij en trots gevoel. Natuurlijk betekende het niks, besef je je dan later in een helder moment, maar op dat moment was ik ziek en gedrogeerd met verliefdheid. Ik zag alles hoe ik het wilde zien. En dat was buitengewoon heerlijk. Na enige aarzeling zocht ik die avond verschillende stukjes uit, waarvan de meeste over haar gingen. Toch voelde ik me verantwoordelijk genoeg om deze niet aan haar te geven, ik wist dat ik het niet kon maken. Op een fragment na, een heel anoniem stukje, het was onmogelijk voor haar te achterhalen dat het over haar ging. Dat wist ik zeker.
Toen ik de daaropvolgende week in de gang stond, liep ze langs. Ik had net een boek van Harry Mulisch uit haar lokaal geleend voor onderzoek en kon dus niet ontkennen dat ik er was. Ze begon tegen me te praten. Maar zoals altijd was ik geheel verbaasd over het feit dat ze tegen mij praatte en genoot ik alleen maar van de aanblik van haar gezicht. Want wat was ze mooi. Goddelijk en perfect, met haar halflange blonde haar, klein voluptueus lichaam en haar grote groengrijze ogen. Ze praatte over mijn stukjes, dat ze ze leuk vond. Ik vond het maar een onnozele opmerking, wat heb je als schrijver nu aan een lezer die je werk ‘leuk’ vindt? Maar als zij het zei, dan was het goed. Plots leek haar houding te veranderen, van vriendelijk naar serieus, ze merkte op dat we er maar eens over moesten praten. Vervolgens liep ze weg en liet ze mij achter met een vragende blik in mijn ogen. Ik meende echt iets gezien te hebben. Zou ze me doorhebben?
Natuurlijk niet. Ze was alleen bezorgd. Met haar sociaal-pedagogische gewauwel probeerde ze mij op mijn gemak te stellen en allerlei vreemde vragen begon ze te stellen. Of ik problemen had met mijn geaardheid en zulk soortigs diepgaands. Ik moest er bijna van lachen en huilen gelijkertijd. Nergens had ik het moeilijk mee, op haar na. Zij was het, niets lesbische trauma’s. Helaas kon ik dat niet zeggen. Dit jaar was mijn examenjaar, over een dik halfjaar zou ik het eindelijk kunnen zeggen. Dat was tenminste het idee, dan mocht ik het in ieder geval in alle vrijheid aan haar als persoon vertellen. Dan zat ik niet meer vast in het web van het leerlingenbestaan.
Na enige tijd stopte ik met verhalen en stukjes geven. Langzaam begon ik af te glijden, de ongelukkigheid en onzekerheid nam toe. Ik ging haar minder zien, dagenlang niet naar haar lessen en überhaupt niet naar school. Het voelde goed, alsof ik afstand van mijn problemen begon te nemen. Het leek echt te werken. Wegblijven en negeren waren pijnstillers voor mij geworden. Maar zoals die dingen in het echt werken, heb je er steeds meer en meer van nodig. Toen belde de coördinator, ik had een belangrijke luistertoets gemist, of ik meteen op school wilde komen. Er werd gezeurd over de andere dagen dat ik afwezig was geweest en of ik nog bijzondere dingen deed buiten school. Daar werd ik zo woedend van. Alsof ik me zomaar met andere zaken bezighield? Nooit, niets deed ik dat het vermelden waard was buiten mijn schooluren om. En dan zat daar zo’n vrouw die helemaal niets van mij afwist en mij probeerde af te schilderen als een criminele puber met een sociaal leven.
De week daarna ging ik met mijn ouders mee naar de ouderavond, ze gingen naar haar toe, omdat ze tegelijkertijd mijn mentor is. En nu ging het niet zo goed met een paar vakken, verder haal ik dagelijks negens en achten binnen. Het was buitengewoon onprettig om daar naast haar te moeten zitten en mijn ouders maar vuil over mij te horen spuien. Normaal gesproken zijn het de leraren die ontevreden over hun leerlingen zijn en de ouders die hun kinderen verdedigen, bij mij was het precies het omgekeerde. Mijn handen waren gebonden, ik kon onmogelijk vrijuit praten met zowel zij als mijn ouders daar. Als een passieve pop zat ik daar op die stoel. Regelmatig keken ze me allemaal vragend aan, alsof ik er iets aan kon doen.
De volgende les wilde ze weer een gesprek. Maar ik wilde helemaal niet, ik wilde weer wegrennen, mijn pijnstiller van afwezigheid slikken. Toch kon ik wederom niets zeggen, niet zonder uitleg. Dus moest ik naar het gesprek. Op een vreemde manier voelde ik me goed, ik leek haar ver genoeg bij me uit de buurt te houden, haar lichaam leek mij niet meer zo aan te spreken. Totdat we in het kamertje zaten en ze weer begon te praten. Alles vloeide in een beweging terug. Alles was er weer, het gevoel, de tranen, het verdriet en de pijn. Je zou denken dat al die tijd van verwaarlozing wel iets geholpen had, maar het tegenovergestelde was waar. Ze was bezorgd en geschokt toen ze had gehoord dat ik zoveel dagen niet op school was geweest. Of ik geen problemen had met lesbische liefde, dat precieze vroeg ze me. Rationeel op dat moment vond ik het grappig, omdat het niet zo was. Thuis, vol gevoelens en tranen, moet ik er alleen maar om huilen. Omdat de opmerking eigenlijk zo raak was geweest. Alleen vroeg ik het me toch af of ze het wist. Ze leek zo normaal te doen, zo begrijpelijk. Ze zou me toch niet bewust met mijn liefde voor haar confronteren? Zo stiekem was ze toch ook niet bezig? Maar tegelijkertijd, hoe kon ze het niet weten? Hoe kon ze niet mijn pulserende liefde voelen, iedere seconde die ik in haar aanwezigheid doorbracht?

II


Zelfs nu weet ik niet of ze het toen al wist. Ik durf het haar nu niet te vragen, die periode is op een vreemde manier iets dat niet echt is gebeurd; we doen tenminste alsof het zo is. Nu is het mooi, we zijn gelukkig. Waarom zoiets veranderen? Geluk is immers breekbaar.
Mijn diploma haalde ik dat jaar, met vele goede cijfers voor Nederlands en Literaire Vorming. Ze had me een negen voor mijn mondeling bij haar gegeven, blij verrast was ik geweest toen ik dat had gehoord. Op de diploma-uitreiking had ik in mijn stoutse dromen haar gezoend, op een passievolle liefdesverklaring van beide kanten volgend. In het echt ging het heel anders. Er was eigenlijk niet zoveel aan, ik zag haar zelfs maar eventjes. De tranen voelde ik al weer opwellen. Zoveel had ik van deze bijzondere avond verwacht, het enige dat ik eraan overhield was een miezerig papiertje met een paar luttele cijfertjes erop. Alsof dat garant stond voor een gelukkig en succesvol leven.
Ik wist toen al dat mijn leven niet over rozen zou gaan, zelfs niet als je zelf een roos bent. Er zijn van die gebeurtenissen, gewaarwordingen of gevoelens waarvan je als mens weet dat ze voor altijd zijn. Dat is dan zoiets dat nooit verandert, iets dat je altijd met je mee zal moeten dragen. Ik wist dat zij mijn constante factor was. Zolang ik haar ontweek en niet zag, ging het. Maar als ik dan weer iets hoorde, zag of las dat met haar te maken had, dan knapte ik weer als een breekbaar takje. Vroeger was ik tenminste nog buigzaam.
Vervolgens was dus mijn vakantie aangebroken, alles was klaar en afgesloten. Nooit meer zou ik thuishoren op die school waar ik zes jaar lang verdriet en liefde had gekend. Ik wist zeker dat de verandering nodig was en niet slecht, maar de gevoelens van gemis overschaduwden mijn wijze gedachten. Het beangstigende gevoel van afscheid overmeesterde mij. Het was onmogelijk geworden om veilig in haar klaslokaal te zitten, een diepgaande literair vraagstuk kon ik haar nooit meer voorleggen en haar bellen onder het mom van ‘een vraag’ was een verdwenen optie geworden. Het deed pijn, want ik was de wanhoop nabij. Moest ik het niet toch vertellen? Of gewoon stilletjes emigreren naar België en nooit meer iets van me laten horen? Ik kón en mócht haar toch niet opzadelen met mijn eigen zondige gevoelens? Dat was toch oneerlijk? Het was immers niet haar schuld.
Alhoewel ik jarenlang mezelf zo netjes in had weten te houden, kende ik mezelf goed genoeg om te weten dat ik met haar moest praten. Anders zou ik het geheel als onafgesloten zaak achterlaten, later zou het onvermijdelijke weer op gaan spelen. Stijf van de stress vertrok ik daarom op een maandagavond naar haar appartement dat zich bevond in een naburig dorp. Bewust had ik geen afspraak gemaakt of eerst gebeld, dan zou er een te grote lading op de ontmoeting gaan liggen, wist ik uit ervaring. Mijn hart maakte overuren en mijn adem was in een onreguleerbaar tempo te actief voor woorden toen ik mijn vinger op de bel van haar nummer drukte. Ze reageerde met dezelfde vrolijke stem als waar ze de telefoon mee opnam. Onzeker brabbelde ik wat tegen het luidsprekertje waarvan ik nooit had gedacht dat zij erachter zou kunnen schuilen. Ze leek me te begrijpen en liet me naar binnen.
Al zo vaak had ik van dit gebouw, dit trappenhuis en iedere trede gedroomd. Ik was hier al geweest, ik had hier al gelopen en ik had hier alles al beleefd. Gewoon, met mezelf, in mijn bed. Het was vreemd, maar toch leek dit mij op een bepaalde manier een soort troost te bieden. Het idee dat ik het toch allemaal al eens had gedaan, gaf mij een veilig gevoel. Totdat ik voor haar deur stond. Nog nooit was ik zo bang geweest, dit was het moment. Als ik nu teleurgesteld zou worden, zou alles voor niets zijn geweest. Dan zou mijn leven onverbiddelijk eindigen. Dan was er niets meer te redden. Ik probeerde er niet aan te denken, maar ik wist dat zij mijn transcendente reden tot bestaan was.
Met twee korte bonzende geluiden klopte ik op de donkerrode deur. Ze deed niet meteen open. Ik dacht dat ze me niet binnen wilde laten. Bijna was ik weggelopen. Totdat ze de deur met enthousiasme opendeed, glimlachend in de deuropening stond en mij gedag zei. Mijn hart brak op dat precieze moment. De ironie van de gebeurtenis was gewoonweg te paradoxaal aanwezig: zij stond daar vriendelijk te zijn, terwijl dat ene juist de oorzaak van al mijn misère was geweest. Als zij niet begonnen was, had ik hier nu niet gestaan.
Twijfelend en gestaag stapte ik haar appartement binnen. Het liefst wilde ik mezelf vastketenen aan haar bed en nooit meer weggaan en voor altijd onderdeel van haar leven blijven. Maar nee, ik was hier als afscheid nemende eindexamenleerlinge die naar een ander land ging emigreren. Ze deed zelfs vriendelijk, ze leek het niet eens lichtelijk apart te vinden dat ik hier was. Ik moest iets zinvols gaan zeggen, nu. Dit was mijn enige kans tot vrijheid.
“Ik denk dat ik je er nooit van zal kunnen overtuigen hoeveel het me spijt en hoe graag ik het niet had willen doen, maar nu kan ik er al lang niets meer aan doen. Sorry.” Ze kijkt op van de tafel waar ze enige seconden eerder nog iets leek te zoeken. Haar ogen lijken groter en indrukwekkender dan gewoonlijk. Ze lijkt me vragend aan te kijken, alsof ze een bevestiging van iets zoekt. Ik durf de woorden niet uit te spreken, dit lijkt me al meer dan genoeg. Maar dan gaat ze naast me zitten, nog steeds met die zoekende blik.
“Waarom zou het je moeten spijten?” vraagt ze dan en ik kan niet helpen te denken, dat ze er op dat moment als het meest begeerlijke onschuldige wezen uitziet dat ik ooit gezien heb. Ik probeer haar blik te ontwijken.
“Omdat je er niets aan kan doen, je hebt niets gedaan. Het is allemaal mijn schuld.” Ik bibber omdat ik bang ben dat ze weer net zo gaat doen als ze altijd deed. Professioneel en cliché vragen stellen, proberend mij mijn problemen te ontfutselen. Maar dat doet ze niet, ze blijft haarzelf. Ik slaak een zucht van verlichting.
“Nee,” fluistert ze zachtjes. Ik kijk haar weer aan en probeer zo spijtig mogelijk te glimlachen. Zo’n typische lach die je gezicht ook siert als je vol afwachting in een winkel naar het product van je keuze vraagt, maar wanneer het er dan niet meer is. Dan kijkt men ook zo, een soort ironische glimlach waarmee je probeert te zeggen dat het niet uitmaakt en dat diegene er ook niets aan kan doen. Ze lijkt me te begrijpen en staat op. Ik doe hetzelfde en begin naar de deur te lopen.
Ze pakt mijn hand vast en trekt me naar haar toe. Ik voel een herkenning vanuit mijn dromen, nu zou ze me moeten zoenen.
“Het spijt mij ook,” zegt ze zachtjes voordat ze me teder op mijn mond kust.
Ik gil, ik sta in brand, ik droom, ik gloei, ik ga stuk. Voor de eerste keer in mijn leven aanschouw ik hetgeen dat men ‘liefde’ noemt. Ze staart me aan en ik heb geen idee wat ik moet doen. Moet ik nu iets zeggen? Moet ik haar nu terug zoenen? Of moet ik weggaan? Haar hand rust ondertussen op mijn linkerwang en een vreemd krioelend gevoel maakt zich meester van mijn hele lichaam. Ik bijt op mijn lip, doe een stap naar voren en kus haar hard op haar lippen.
Dezelfde lippen waar ik jaren naar heb gekeken en verlangd. Diezelfde lippen.

vrijdag, januari 9

Pijnlijke eenvoud

Een beige jasje had ze aan, net een colbertje, maar dan anders. Ietwat losjes en nonchalant had ze het dichtgeknoopt. Het jasje was eigenlijk een overbodig kledingstuk, de zon scheen namelijk helder en af en toe stond er een mild briesje.
Maar ze was niet iemand van het type dat meteen bij de eerste de beste zonnige dagen in zomerkledij liep. Ook hechtte ze waarde aan het veilige gevoel dat het jasje haar bood. Geborgenheid kon ze vandaag wel gebruiken.
Met gehaaste passen stapte ze over de roodbruine straatsteentjes, ze leek ergens naar op weg te zijn. Als je haar zo langs zag lopen, zou je er heilig van overtuigd zijn dat ze een van de vele studenten was die de Belgische stad Leuven telde. Haar lange blonde haren had ze in een losse staart geknoopt en haar blauwe ogen keken wat onthutst voor zich uit. Een vrolijke schoudertas hing schuin over haar bovenlichaam en ze had haar handen in de zakken van haar spijkerbroek gestoken. Boven de rand van haar jasje kon je een stukje roze stof uit zien komen; ze droeg wellicht een roze blouse.
De blauwe hemel, de kleine witte wolkjes en het vrolijke vogelgezang leken haar niets te doen. Ze had vast besloten dat deze dag een onprettige dag zou worden en niets of niemand zou haar van haar stuk kunnen brengen. Ze wist al weken vantevoren dat deze dag eraan zat te komen, maar nu was het toch echt zo ver. En ze was gespannen, misschien zelfs bang. Nog nooit was ze zo direct geconfronteerd met haar daden als dat ze vandaag zou worden.
De hoek om, de straat doorlopen en dan zou ze er zijn. De routebeschrijving had zich dagenlang in haar hoofd herhaald, net zo lang totdat ze er misselijk van werd. Hoeveel stappen zou het nog zijn tot de deur? Ze zag het groenachtige logo al voor zich, vele malen had ze het zien staan op het briefhoofd van de brieven die ze haar gestuurd hadden. Ze begon zich koortsig te voelen, een vervelende bijwerking die ze al haar hele leven had gehad als ze zich gespannen voelde. Straks kreeg ze ook nog van die stressvlekken. Zachtjes vervloekte ze zichzelf.
Daar was het. Onder normale omstandigheden had ze het gebouw mooi gevonden, een echt cultureel verantwoord gebouw in het midden van een gezellige Leuvense straat. 'Dialoog' stond er in designletters op een bordje naast de deur. Ze inhaleerde diep en blies de lucht er in bibberende vlagen weer uit. Ze was echt bang, maar ze wist dat ze moest. Als ze ooit nog iets wilde bereiken moest ze dit doen.
En ze deed het: ze stapte het trapje met drie treden op en duwde de deur open.
Het eerste wat ze zag was de donkergrijze vloerbedekking die ironisch genoeg vriendelijk aandeed. De hal was niet groot, je zou het eerder als klein bestempelen.
"Hallo, kan ik je ergens mee helpen?" Daar begon het al, de vragen. In haar gedachten had ze zich al tientallen malen omgedraaid en was ze weggerend, maar haar benen weigerden dienst. Die bleven vastgenageld aan de grijze vloerbedekking staan.
"Euhm, hallo. Ja, ik ben hier voor een introductiegesprek." Ze wendde haar ogen af van het vriendelijke gezicht van de receptioniste. Misschien was ze nog wel jonger dan zij, of tenminste even oud.
"AGM?" Een afkorting die gelukkig de ware aard van haar bezoek dekte. Niet alsof het meisje achter de balie niet zou weten waar het voor stond. Toch, het maakte haar gegevens wat minder openbaar; onbegrijpbaar voor een leek.
Ze knikte, beschaamd. "Ja."
Het meisje pakte de hoorn van de telefoon die op de balie stond en toetste enkele cijfers in. Ze kon het niet verstaan, maar het meisje leek aan iemand door te geven dat zij hier stond te wachten. De receptioniste legde vervolgens de hoorn weer op de haak en pakte een blaadje uit een van haar lades.
"Wil je deze formulieren nog even invullen?" Het meisje glimlachte en schoof de blaadjes naar voren.
Met onzekere stappen naderde ze de balie. Nog meer informatie geven, nog meer van haarzelf prijsgegeven. Ze bibberde ervan. Moesten ze dan ook werkelijk alles weten? Met vluchtige uithalen begon ze te schrijven. Toen ze klaar was schoof ze de blaadjes in de richting van de receptioniste, die wederom glimlachend toekeek. Die moest wel een heel gelukkig leven leiden, dacht ze nog, om zo vrolijk te kunnen zijn.
"Zo," het meisje keek zoekend op de ingevulde formulieren,"Roos, als je hier even gaat zitten komt iemand je zo ophalen."
Ze knikte, opgelucht over het feit dat er nog niet meteen dingen gingen gebeuren. Maar, wist ze uit ervaring, het wachtproces was eigenlijk nog erger. Dan zat je daar maar in een lege onbekende ruimte, vaak met een tikkende klok vlak voor je neus, gewoon te wachten. Je voelt je als een varken op weg naar de slacht, maar dan op weg naar je eigen persoonlijke slachtbank. Passief zit je met je ogen de secondewijzer te volgen, iedere seconde beseffend dat het er uiteindelijk aan gaat komen.
"Euhm- Roos?"
Ze schrok wakker uit tijdloze trance en keek verward om zich heen. Shit, het was tijd. Nu zou het allemaal gebeuren.
"Ja. Hallo." Ze stond op en stak haar rechterhand uit naar de man die voor haar stond. Hij glimlachte in ieder geval niet zo vrolijk als het meisje achter de balie had gedaan, een grote opluchting voor Roos. Ze had het niet zo op van die dolgelukkige typjes. Daar was ze zelf niet gelukkig genoeg voor.
Hij schudde kort haar hand, stelde zich voor als Robin Ibens, psycholoog en medewerker van AGM. Vertwijfeld keek ze hem aan, hij leek helemaal niet op een psycholoog. Zijn zwarte halflange haar hing ietwat verwilderd om zijn gezicht, waar wat stoppels zijn kin sierden. Weken had ze de tijd gehad om angstvallig na te denken over hoe vandaag zou verlopen, alle mogelijke scenario's hadden zich in haar gedachten afgespeeld. Maar hier ging het dus al fout: want zo'n psycholoog had ze zich simpelweg niet voorgesteld. Iets deed haar uit haar balans raken. Ze wist dat ze vol moest houden, ze kon niet zomaar van tactiek veranderen. Ze moest de gok maar wagen, zelfs bij deze man.
"Kom je mee?" Met vriendelijke gebaren loodste hij haar een lange gang door. Met zijn donkerblauwe broek, witte gestreepte blouse en een stropdas die nonchalant om zijn hals geknoopt was, maakte hij een professionele en bijna sympathieke indruk. Maar hij was niet sympathiek, dat kon hij niet zijn, dat wist ze wel uit ervaring. Hij was hier alleen maar om het haar moeilijk te maken. Hij was slechts een substitutiemiddel waarmee zij haar doel moest zien te bereiken.
Ze waren aangekomen bij een klein kamertje, ingericht met een tafel en twee stoelen, aan weerszijde een.
"Zo, ga maar lekker zitten, zou ik zeggen." Hij wees haar een stoel aan.
Lekker zitten? Was hij dan zo hypocriet om te suggeren dat zij hier was om 'lekker te zitten', terwijl ze deze gesprekken verplicht moest doorlopen om weer verder te kunnen met haar leven?
"Ik ga even wat te drinken halen. Kan ik wat voor je meenemen? Koffie? Thee? Fris?" Ze schudde afwijzend haar hoofd. Lekker zitten, een drankje, nog even en ze kreeg er hapjes bij. Ze wilde er gewoon zo snel mogelijk doorheen, ze wilde weten wat haar te wachten zou staan.
Na een paar minuten kwam hij terug met twee gevulde bekertjes. "Ik heb toch maar de vrijheid genomen iets voor je mee te nemen," glimlachte hij goedbedoeld. Ze kon wel overgeven. Ze was die sociaal-pedagogische manier van aanpak meer dan zat.
Hij nam plaats aan de andere kant van de tafel en zuchtte.
"We weten allebei waarom je hier bent." Ze knikte. "Daarom weet je ook dat we eerst dit gesprek moeten hebben vooraleer we je kunnen gaan indelen in onze vormingscursussen." Ze probeerde aandachtig naar zijn woorden te luisteren, maar onbewust dwaalden haar gedachten weer af.
"Eerst wil ik eventjes met je praten over je achtergrond, zodat ik een beter beeld van je kan vormen." Zonder dat ze er iets aan kon doen rolde ze met haar ogen. In haar ooghoek zag ze hem flauw glimlachen.
"Misschien niet zo leuk, maar we moeten het er toch over hebben. Zo. Je gezinssituatie?"
Zuchtend groef ze in haar herinneringen om het beeld van ouders weer op te roepen. Waarom moest ze dit weer vertellen? Ze had het toch allemaal al ingevuld?
En zuchtend begon ze een monotoom verhaal te vertellen over haar ouders. Dat ze enigst kind was geweest, dat ze een fijne jeugd had gehad en dat er geen enge dingen in haar familie hadden plaatsgevonden. Er waren geen problemen thuis, noch van sociale, noch van medische of financiële aard. In haar dromen had de psycholoog teleurgesteld gereageerd, want zonder fouten konden problemen niet behandeld worden. Er moest toch immers iets mis met haar zijn gegaan? Maar Robin Ibens bleef geïnteresseerd luisteren.
"En school?"
Ze vertelde dat ze altijd dol was geweest op school, dat ze leergierig was en vaak hoge cijfers haalde. School was altijd belangrijk voor haar geweest, misschien zelfs te belangrijk.
"En je sociale milieu? Vroeger veel vrienden, vriendinnen?"
Ze had altijd genoeg vriendinnen gehad, helaas leerde ze al op vroegere leeftijd dat vriendschap niet altijd ongelimiteerd was en dat zelfs je beste vrienden je konden bedriegen. Ze verwachtte dat hij daar wel over door zou vragen, maar hij hield zijn mond en liet haar haar zegje doen.
"Je latere jaren? Na je eindexamen?" Hij schoof een beker met dampende koffie over de tafel naar haar toe. Zij pakte de beker aan, zich realiserend dat de caffeïne haar wel goed zou doen en ze nam een grote slok.
“Toen ben ik hier gaan studeren en wonen.” Met weemoed dacht ze terug aan de eerste maanden van haar studie in België, alles was zo goed gegaan en het leek er toen nog op dat ze heel succesvol en gelukkig zou gaan worden.
“En hoe verliep dat allemaal?” Hij leek een object in het kleine kamertje te zijn geworden die van tijd tot tijd een vraag in het midden wierp, waar zij zich dan weer met moeite over ontfermde.
“Ja, goed.” Ze wilde geen hele biografie schetsen, want het was nu toch wel duidelijk dat de Freudiaanse psychoanalyse op haar geen betrekking zou hebben?
“Roos,” zuchtte hij,” ik weet dat niet makkelijk is, maar je moet me toch echt zoveel mogelijk vertellen. Anders kan ik je toch niet helpen?” Wederom kwam hij sympathiek over, maar ze kon er niet tegen. Deze mensen, deze psychologen, ze leken zo aardig en geïnteresseerd, maar ze doen alles puur en alleen maar omdat het hun beroep is. Hoe kan je nu zo diepgaand met een persoonlijkheid bezig zijn, en het dan toch allemaal achter je laten als je naar huis gaat?
In zijn vrije tijd zou het Robin niks kunnen schelen hoe zij terecht kwam en of zij wel gelukkig was met haar huidige leven. Maar nee, nu ze hier voor hem zat en hij haar formeel toegewezen gekregen had als nieuw project, nee, dan waren ze o zo vriendelijk.
Daarom wilde ze gewoon niet nog meer vertellen. Straks zou het weer fout gaan, ze wilde deze man niet leren waarderen en hem al helemaal niet vertrouwen. De afstand moest en zou bewaard blijven.
“Ja, ik snap het. Sorry. Maar ik kan gewoon niet veel meer vertellen.” Ze poogde onschuldig te kijken, maar hij leek dwars door haar heen te kijken. Zo voelde het wel.
“Laten we beginnen met kijken naar wat je gedaan hebt, misschien komen we zo verder.” Heerlijk, weer over haar zogenaamde delicten praten, alsof dat zin had. Alsof ze ineens in zou zien dat ze zó fout had gezeten, dat ze het echt nooit meer zou doen.
Hij pakte er een blaadje bij, vermoedelijk de uitspraak van de politie.
“Jaja, fraude en valsheid in geschrifte,” zei ze om hem voor te zijn. Ze probeerde zoveel mogelijk de klank in haar stem niet te opgewekt te laten klinken. Niet dat ze er blij van werd.
“Bij de psycholoog waar je toentertijd bij onder behandeling was.” Hij keek haar vragend aan, alsof hij niet begreep wat hij net had gezegd.
“Ja? En wat moet ik nu zeggen?” Demonstratief vouwde ze haar armen over elkaar. Nooit was ze zo’n rebel geweest en nu zat ze hier alsof ze een één of andere crimineel was. Ze haatte het gevoel.
“Je zou me kunnen proberen uit te leggen waarom je het gedaan hebt.” Hij keek haar met zo’n begrijpende blik aan dat ze bijna de neiging had om het te vertellen.
“Gewoon.”
“Gewoon?” Hij hief zijn rechterwenkbrauw op, misschien was het een onbewuste reactie. Toch leek zijn wenkbrauw meer te zeggen dan wat vele woorden konden.
“Oh, kom op. Ik ga hier niet alles uit de doeken doen!”
“Waarom dan niet? Als je het niet vertelt, kan ik je niet helpen.” Hij boog zich naar haar toe en hing met zijn bovenlichaam over de tafel heen.
“Het heeft geen zin,” zei ze bijna fluisterend.
“Waarom liep je bij een psycholoog? Alles ging toch goed tijdens je studie?” Deze vraag was nieuw voor haar, zoiets hadden ze nog niet eerder gevraagd. Dit kon ze toch best vertellen?
“Ik had me weer eens in een wanhopige liefde gestort, daar had ik moeite mee.”
Ze keek hem even snel aan. Moest ze meer vertellen? Hij knikte haar toe.
“Ik word echt te snel verliefd. En uiteindelijk had ik gewoon geen echt doel meer om voor te leven en toen ben ik een paar keer op gesprek geweest.”
“Hielp het?” Als Robin had geweten wat voor gevoelens deze vraag in haar losmaakte, had hij het vast niet gevraagd. Bibberend zat ze plotseling op de stoel met een emotieloze uitdrukking op haar gezicht. Ze wilde er niet aan denken, ze had er een punt achter gezet. Een punt dat zoveel consequenties met zich had meegebracht dat ze nu hier zat.
“Ja, best wel,” zei ze met trillende stem. Hij was ondertussen opgestaan en knielde vlak naast haar neer.
“Hee, rustig aan meiske,” zei hij zachtjes en pakte haar hand vast.
“Nee!” riep ze uit. In shock was ze opgesprongen, weg van de aanraking, weg van de flashback. Hij stond nog steeds naast haar, niet afgeschrokken door haar uitroep van angst. Hij leek te wachten op haar, alsof ze iets moest zeggen of doen.
Ze beet op haar lip en kneep haar handen samen tot vuisten. Ze weigerde simpelweg weer terug te gaan naar de gebeurtenissen die ze geacht was verwerkt te hebben. Ze had het ook verwerkt. Het was af, klaar. De woorden herhaalden zich als een mantra in haar hoofd. Ze zou niet falen, ze zou niet overgeven aan de zwakkeling in haar.
“Mag ik weg? Alsjeblieft?” wist ze uiteindelijk met een zwak stemmetje uit te brengen. Hij pakte haar zachtjes bij de schouders en keek haar diep in de ogen.
“Weet je zeker dat dat is wat je wilt?” Hij leek haar ogen af te zoeken naar een stukje van haar ziel, maar hij vond het niet. Haar gevoelens en haar identiteit had ze diep weggemoffeld in haar lichaam. Die zou de eerste de beste psycholoog niet zomaar vinden.
“Ja,” zei ze. Bijna klonk ze overtuigd en vastberaden.
“Goed.” Hij had zich omgedraaid, liep naar de deur en deed deze open. “Dan zie ik je volgende week.”
Ze knikte en bekeek hem voor de laatste maal. Nu was ze vrij om te gaan, weg van de psychologie en haar volgelingen.

Het verbaasde haar niks dat er niemand op straat was. Het was ook niet zo bijzonder om drie uur ’s nachts, maar zelfs het Leuvense studentenleven liet deze nacht niet veel van zich horen. Het was vrijwel uitgestorven op straat, een actieve kat of verdwaald knaagdier daargelaten. Met de handen in de zakken van haar beige jasje slenterde ze gemoedelijk over de assymetrische straatsteentjes. Diep ademde ze de zwoele nachtlucht in.
Ze hield van de nacht. ’s Nachts was altijd alles beter, rustiger en mooier. Nu kon ze denken, reflecteren en creëren. Haar favoriete bankje kwam al in zicht, daar zou ze gaan zitten. Al veel vaker had ze dit gedaan, er midden in de nacht op uit trekken om tot bezinning te komen. Het leven was haar de laatste tijd veel zwaarder gevallen dan normaal. Het leek net alsof er oude nachtmerries terug waren gekomen om haar te achtervolgen.
Met een zucht ging ze op het donkergroen geverfde bankje zitten. Niet dat ze dat nu kon zien, met als enige oriëntatiepunt een zwak lantaarnlichtje uit een straat verderop. Maar het was beter zo, in het donker. Overdag was het hier een stuk drukker; dan liepen er innig gearmde stelletjes, moeders met kinderen en ouden van dagen, allen met het doel te ontspannen.
“Hmm, rust, eindelijk,” sprak ze zachtjes tegen zichzelf. Ook dat deed ze wel vaker, tegen zichzelf praten. Al vanaf jongs af aan had ze dat eigenlijk gedaan. Vroeger had ze het in kinderlijk Nederlands verwoord, vandaag de dag wilde ze nog wel eens op haar geliefde Engels teruggrijpen. Zelf vond ze het niet gek, na twintig jaar samenleven met zichzelf was ze wel aan haar persoonlijkheid gewend geraakt.
Anderen zouden misschien gek op staan te kijken als ze plots tegen zichzelf begon te praten.
“Dat vindt die psycholoog vast wel interessant,” grinnikte ze sarcastisch. Eigenlijk vond ze zichzelf helemaal niet grappig.
Praten met zichzelf hielp gewoon. Als ze weer eens een goed gesprek met zichzelf had gehad, was alles tenminste duidelijk, dat kon ze er weer even tegenaan. Want er was nu eenmaal niemand die haar beter begreep dan zijzelf.
Als ze nog gerookt had, was ze nu een sigaretje op gaan steken. Waarom was ze überhaupt gestopt? Ze schudde haar hoofd, ze had geen idee. Ze rommelde wat in haar schoudertas, misschien zou ze nog een eenzame sigaret tegenkomen. Maar nee, het enige dat ze in de tas tegenkwam was de brief van Dialoog. Alsof ze daar nu behoefte aan had.
Denigrerend pufte ze. Dat was ook weer zoiets vervelends, bij een psycholoog lopen. Het kostte haar al genoeg moeite om haar studie bij te houden en dus zat ze niet bepaald te wachten op vormingscurcussen. Maar ze was stout geweest en dus moest ze gestraft worden, zo werkte het nou eenmaal in een moderne maatschappij. Ondertussen zat zij wel weer met de vervelende gevolgen opgescheept. Bijna twee jaar geleden was ze begonnen met een letterkundige studie aan de universiteit van Leuven, de toekomst zag er toen nog rooskleurig uit en ze had er zin in gehad. Bijna een jaar was het goed gegaan. Ze genoot van volle teugen van het leven, had passie voor haar studie en ontwikkelde ook nog eens een bruisend sociaal leven. Dat laatste was haar uiteindelijk fataal geworden.
Ze was verliefd geworden, op de verkeerde. Want Pieter, eens zo geliefd en besproken, bleek achteraf geen ander gevoel behalve vriendschap voor haar te koesteren. Enkele maanden later hoorde ze dat hij naar Brazilië was vertrokken met zijn nieuwe vlam, Joost. Ze stortte in. Juist omdat ze het Pieter niet kwalijk kon nemen, hij had haar nooit iets misdaan. En toch was zij zomaar verliefd op hem geworden, zonder enige indicatie of waarschuwing. De maanden daaropvolgend ging het fout; ze ging niet meer naar colleges, probeerde haar problemen te verzuipen en ze had simpelweg niets meer over. Toen was een vriendin met haar naar de psycholoog geweest. Haar naam was Inge Zijlstra, meteen vanaf het eerste gesprek had het geklikt. Roos was teruggegaan, ze had gepraat en misschien had het wel kunnen helpen. Als er geen andere dingen waren gebeurd.
In het Engels begon ze nu een monoloog te houden over de afgelopen dagen. Hoe bang ze was geweest toen ze voor het eerst naar Dialoog moest, hoe overstuur ze er was geraakt en hoe ze iemand nodig had. Steeds vaker werd ze met de pijnlijke eenzaamheid van haar bestaan geconfronteerd. Zij leidde een liefdeloos bestaan en zat hier eenzaam op een bankje en het enige waar zo’n psycholoog dan over begon was over de fraude die ze had gepleegd. Zachtjes grinnikte ze. Alsof dat iets voorstelde, die paar honderden euro’s die ze had laten verdwijnen. Het ging om de daad, om de gedachte achter de handelingen, niet om het geld zelf. Dat ze dat nou niet doorhadden. Weer grinnikte ze. Soms vroeg ze zich wel eens af of er misschien iets fout zat in haar hoofd, maar het feit dat ze zich dat af kon vragen bewees dan juist weer het tegenovergestelde.
Al maanden was ze niet thuis geweest. Ze had er gewoon geen behoefte aan, haar leven was nu hier. Niet dat dat leven vandaag de dag nog veel voorstelde, maar het ging om het principe. Thuis, de mooie witte villa in de bossen, haar oude kamer, haar complete jeugd. Alles had ze achtergelaten in Nederland. Plots, terwijl ze zo aan thuis zat te denken, werd ze bevangen door een onbeschrijflijk gevoel van leegheid en verlangen. Ze wilde opstaan, wegrennen en gewoon even vergeten. Alles achter zich laten en pas later, ooit als ze er behoefte aan zou hebben, teruggaan.
“Misschien moet ik nog maar even wat drinken,” mompelde ze vertwijfeld. Met één vluchtige beweging graaide ze haar tas van het bankje en begon richting het centrum lopen.
Normaal gesproken was ze nooit impulsief, ze hield meer van regelmaat en standvastigheid. Maar nu leek het net alsof er een klein vuurtje in haar was gaan branden dat iets wilde doen. Ze was ergens op uit, maar ze wist zelf niet wat. Seks, misschien. Ze zuchtte. Seks. Nog steeds vroeg ze zich wel eens af waarom ze nooit de ware geneugten der liefde had ervaren, de vleeschelijke lusten. Niet dat ze nooit de kans had gehad, maar ze wilde gewoon niet zomaar met een onnozele ziel haarzelf delen. Ze wilde geen passerend schip in de nacht zijn voor haar bedpartner, maar een memorabele vrouw.
Toen ze de hoek omliep kwam ze oog in oog te staan met de grootste uitgaansgelegenheid in Leuven, Empirismus. In haar eerste jaar was ze hier geregeld heen geweest, altijd resulterend in heftige dansnachten. Nooit had ze hier gefaald, hier slaagde ze er altijd in te krijgen wat ze wilde. Snel wierp ze een blik op haar zilverkleurige horloge. Het was nog maar net drie uur geweest. Ze had nog genoeg tijd. Toch weifelde ze even. Zou ze dit nou wel doen? Toen opende de deur van het gebouw en de muziek drong tot haar door. Ze moest. En resoluut stapte ze naar de deur en ging naar binnen.
Het was drukker dan dat ze had verwacht. De hele danszaal stond nog propvol en iedereen leek mee te bewegen op de beat van dit moment. Ze had zich niet echt op een uitgaansavond gekleed met een effen witte blouse en een roze hemdje. Toch kon het haar niet zoveel schelen. Eerst maar wat drinken, besloot ze. Na een paar gevulde whiskey-cola’s met meer whiskey dan cola begon ze zich dan op de dansvloer te begeven.
“Roos! Meis!” schreeuwde een schorre stem van achter haar. Ze draaide zich om.
“Hai,” zei ze vriendelijk terug. Voor haar stond Anna, een oude studievriendin die ze al maanden niet had gezien. Anna was echt zo’n meisje dat je alleen zag bij goed weer.
“Ben je weer helemaal de oude? Ik heb je een tijd niet gezien!” Het was nou niet alsof Anna de moeite had genomen om maar even te bellen of langs te komen. Maar het voelde goed om toch weer een bekende te zien.
“Ja, weer helemaal goed!” vrolijk lachte ze Anna toe. Na gedag te hebben gezegd gingen beiden hun eigen weg. Roos sloeg nog snel de laatste slokken van haar drankje achterover en zocht een strategisch plekje uit op de dansvloer. Ze voelde de whiskey al door haar lichaam vloeien, zo lang had ze niet meer gedronken. De heerlijke bekende duizeligheid begon ze op te merken en meer had ze niet nodig om één te worden met de muziek.
In woorden kon ze het gevoel onmogelijk beschrijven, het gevoel onderdeel van de muziek te worden, constant mee te vloeien met de denkbeeldige notenbalken. Niemand zou zoiets accuraat kunnen beschrijven en het was misschien maar goed ook. De dj leek vanavond een belichaming van haarzelf te zijn; hij draaide alles wat ze nodig had, waar haar lichaam om leek te roepen. De muziek werkte als een soort drug. De muziek deed al haar problemen verdwijnen, er was niks meer behalve zij en de muziek. Ze bewoog op alle fysiek mogelijke manieren mee met de muziek, ze danste alles van haar af. Soms deed ze haar ogen dicht om helemaal los te komen van de omgeving, maar als ze ze dan weer opende stonden er aangeschoten mannen naar haar te staren. Zoiets moest ze niet hebben.
Opeens werd er een nieuw liedje opgezet. Het begin was zacht, maar het werd met de seconde harder. Iets in de toon, het gezang, de melodie greep haar aan. Dit was het, dit nummer. Het leek alles te zeggen wat ze al haar hele leven had willen zeggen. Ongeacht de tekst die onverstaanbaar was in deze mensenmassa greep het haar aan. Nóg heftiger dan dat ze al had gedaan begon ze te bewegen. Ze keek niet meer op of om, het kon haar niets meer schelen als er andere mensen keken. Want dit was haar moment, alleen waarneembaar voor haar eigen persoon. Het nummer leek maar door te gaan, oneindig, net zoals het leed op de wereld. Al dansende begaf ze zich naar bar, waardoor menig persoon naar haar opkeek. Het deed haar allemaal helemaal niets meer. Half gillend bestelde ze een whiskey, puur deze keer. Dat kon ze nu wel hebben na al die zwakke mixjes. In een paar slokken was de bruintransparante vloeistof in haar lichaam verdwenen.
“Nog eentje,” riep ze tegen de barman die haar vriendelijk gehoorzaamde. Hij had wel meer dronkelappen in zijn hele carrière gezien dan dat zij ooit in haar hele leven zou meemaken.
“Zou je dat nou wel doen?” klonk een spottende stem, doordrongen van een Belgisch accent. Doordat de duizeligheid haar gedachten op heerlijke wijze door elkaar gooide en alles daardoor fantastisch leek te zijn, had ze niet meteen door wie er naast haar stond. Het haar, het gezicht, ze leek het toch echt ergens van te herkennen.
“Robin, voor deze informele ontmoeting,” glimlachte hij en schudde haar hand die er door haar verbouwereerde houding wat verwaarloosd bijhing.
De muziek ging onveranderlijk door.
Hij had haar hand aangeraakt en zachtjes geschud en nog kon ze het niet bevatten. Haar hersenen probeerde een rationele analyse te maken van het geheel, maar de alcohol had nu de overhand. Ze wilde iets zeggen, dat zou wel zo netjes zijn. Dus glimlachte ze ietwat gegeneerd, je kwam nou eenmaal niet iedere dag je psycholoog tegen in beschonken staat en ze probeerde iets leuks te zeggen.
“Euhm, zo,” zei ze onbeholpen. Hij grinnikte, hij leek net een sadist, dat hij kon lachen om haar verwarring. Ze voelde woede opborrelen.
“Ik lach je niet uit hoor,” zei hij in een poging tot opheldering. Ze rolde haar ogen en probeerde onopgemerkt weg te komen. Ze was hier om te dansen, niet voor een praatsessie.
Net toen ze meende ontsnapt te zijn uit zijn gezelschap, voelde ze hoe een hand haar pols vastpakte. Met een ruk stond ze stil en draaide ze zich om.
“Ja? Is er een probleem?” vroeg ze uitermate geïrriteerd. Was hij er nou echt doelbewust op uit om haar avond te verpesten? Hij keek haar verdoofd aan, maar zij vond hem er buitengewoon schaapachtig uitzien.
“Sorry, ik zal je niet langer lastigvallen,” zei hij. Ze meende een teleurgestelde emotie waar te nemen, maar het kon haar niet zoveel schelen. Ze wilde gewoon weer dansen. En dus draaide ze zich weer om en baande zich een weg door de bewegende mensenmassa.
Maar hoe hard ze ook probeerde, hoe heftig ze ook danste en hoe vaak ze ook haar ogen dichtdeed, ze kon haar eerdere climax niet evenaren. Het kwam er niet eens dichtbij. Steeds hoorde ze zijn stem in haar hoofd. Toch deed het haar niks. Strijdlustig en overtuigd van haar eigen doorzettingsvermogen ging ze onvermoeid door met haar strijd tot bevrediging. Ze moest en zou dansen op een niveau waarop ze nog nooit had gedanst. Ze moest boven de massa uitstijgen en tot een inzicht komen, iets wetende wat niemand ooit zou weten.
Ze besloot dat ze meer drank nodig had. Bewust vermeed ze de bar waaraan ze hem tegen was gekomen en bestelde twee whiskey. Gewillig gleed het goedje naar binnen, een waar festijn voor smaakpapillen. Tenminste, als je het langzaam en met zorgvuldigheid dronk. Dat was nu niet het geval, ze dronk om te drinken, om drinkende te zijn. Ze voelde dat ze onstabiel begon te worden, haar benen gehoorzaamden langzaamaan niet meer aan haar slaperige hersenen.
“Nog een!” riep ze enthousiast naar de barman. Even keek hij haar bezorgd aan, maar schonk toch een glas vol. En ze dronk.


Al rillende greep ze naar haar vertrouwde deken. Haar ogen kon ze niet openen en halfdromend gleden haar handen over haar lichaam, op zoek naar warmte. Ze voelde een zacht dik dekenachtig materiaal. Even meende ze het niet te herkennen, maar ze trok het naar zich toe en begon zich er behaaglijk in te nestelen. Langzaamaan begon ze weer wat warmer te worden. Veel kon ze zich niet meer herinneren van de afgelopen nacht. Ze was uit geweest en ze had gedanst. En gedronken, dom.
Zachtjes kreunde ze. Een gevoel van pijn dat ze al veel te vaak had gekend was weer wedergekeerd. Als ze niet zo moe was geweest had ze naar haar hoofd gegrepen. Met moeite slikte ze; de aloude dorstgevoelens kwamen weer naar boven. Dorst, drinken, water. Dat was het enige dat nog maar door haar hoofd maalde. Alleen wist ze maar al te goed dat ze zou gaan overgeven als ze nu zou drinken. Stilletjes blijven liggen met de oogjes gesloten was toch echt de beste oplossing.
Plots hoorde ze een flauw knorrend geluid, alsof er ergens een heel klein motortje aanstond. Het leek steeds dichterbij te komen. En toen voelde ze iets zachts op haar buik landen. Vanuit een klein spleetje in haar rechterooghoek probeerde ze te zien wat er op haar lag. Maar al snel voelde haar armen de harige pootjes van een spinnend dier.
“Poes,” bracht ze met moeite uit. De poes leek bekend te zijn met deze benaming en het dier kwam naar haar gezicht lopen en begon kopjes te geven. Ze was blij met dit warmteproducerend knuffelbeest en probeerde het donkerkleurige dier dicht tegen zich aan te laten liggen. Zo had ze thuis ook twee katten gehad, een dikkertje en een klein schildpadpoesje.
Plots schoot ze overeind. Toen ze rechtop zat kermde ze van pijn, maar ze had zich net gerealiseerd dat ze helemaal geen poes in haar studentenkamer had. Thuis wel, daarom had het zo vertrouwd geleken. Maar-maar, waar was ze dan?
De pijn maakte het bijna onmogelijk om de omgeving om haar heen waar te nemen. Ze lag in ieder geval in een zacht tweepersoonsbed met geruite dekens. Bijtend op haar lip probeerde ze wat meer rechtop te gaan zitten. Hoeveel pijn het ook deed, ze moest gewoon weten waar ze was. Gelukkig waren de gordijnen nog dicht, zag ze nu. Het waren donkergekleurde gordijnen, vermoedelijk donkerblauw met een zachtgeel dessin erop.
Ze vervloekte zichzelf. Waarom was ze nou hier? Zo dronken was ze toch ook niet geweest? Ze was toch niet zomaar met een man mee naar huis gegaan? Zoiets zou ze nooit doen. Ze kneep haar zwetende handen op elkaar. Eerst maar uit dit bed proberen te komen, besloot ze.
Met bibberende armen en onzekere passen stond ze op. Het bed diende als ondersteuning, anders was ze vast en zeker onderuit gegaan. De vloer bestond uit mooi donkerbruin parket, de kamer was hoog en de ramen namen een groot gedeelte van de muren in beslag. Ze had het een mooie kamer gevonden als niet alles aan haar lichaam zo’n pijn had gedaan. Zacht piepend probeerde ze naar de deuropening te lopen. Ze rilde even van de kou, het was hier niet bepaald warm. Even keek ze naar haar benen en zag dat ze niet meer dezelfde kleren van afgelopen nacht aanhad. Ze was nu gekleed in een groot donkerblauw gestreept overhemd. Overduidelijk een mannenoverhemd, compleet met mannengeur.
“Shit.” Ze probeerde zich nog meer te haasten naar de deur. Dit mannenoverhemd als nachtkledij kon maar één ding betekenen: ze had zich flink gezondigd tegenover haar principes.
Op de gang kwam ze een klok tegen, het was half elf. Voor haar normale ritme was dit nog vroeg in de ochtend. Maar het was toch zaterdag, dus zou ze niet eens een college missen. Haar ogen waren nu iets meer aan het licht gewend en het lopen ging haar iedere stap een beetje beter af. Ze stond midden in een soort huiskamer, compleet met bankstel, televisie, kasten en vloerkleed. Het zag er gezellig uit. De donkergroene bank straalde iets huiselijks uit, het hoogpolige vloerkleed nodigde je uit erop te gaan liggen en het donkerhouten meubilair paste mooi bij het parket.
Opeens werd ze opgeschrikt door een harde grommende klank. Het was het onmiskenbare geluid van een snurkende man. Verstijfd bleef ze achter de bank staan, buiten het blikveld van de persoon die erop lag te slapen. De man met wie ze vannacht mee naar huis was gegaan. Ze was te bang om te kijken. Wat als het een volstrekt vreemde kerel was? Of een bekende, nog erger. In een mentale tweestrijd verwikkeld stond ze enkele minuten recht achter de bank.
Als de man weer uitademde en snurkte, stond ze een duizend angsten uit. Iedere keer was ze bang dat hij wakker zou worden. Zuchtend gaf ze toe. Ze wist dat ze gewoon moest kijken. Ze zou hier toch niet zomaar kunnen wegrennen zonder te weten in wiens huis ze had geslapen? Dat zou nog erger zijn dan de daad zelf, het zomaar overnachten bij een vreemde man.
Bedeesd deed ze een klein stapje naar voren. Ze stond nu net dichtbij genoeg om hem te zien als ze haar hoofd wat meer naar voren bracht. Haar hart ging als een gek tekeer in haar borstkas en haar misselijkheid werd er ook niet beter van. Trillend en zwetend legde ze zo zacht ze kon een hand op de rugleuning van de driezitsbank. Eenmaal ademde ze langzaam in. Ze boog haar hoofd naar voren en keek.
Haar hart stopte met kloppen. Ze voelde dat ze moest overgeven. Ze hapte naar adem. Haar instinct zei dat ze hier snel weg moest zijn. Dus rechtte ze haar rug en zocht ze gehaast naar de deur. Met alle zelfbeheersing die ze nog had, rende ze erheen, trok de deur open en vluchtte het huis uit.


De gordijnen waren weer gewoon rood. Haar oude gordijntjes die ze al haar hele leven had gehad, van kinderkamer tot studentenkamer. Ze knipperde met haar ogen en kroop nog wat meer onder haar roze dekbed, totdat alleen haar ogen er nog bovenuit kwamen. Ze rook haar eigen vertrouwde geur. Even kon ze zo alles vergeten.
Alleen was er nog het overhemd waarvoor ze te moe was geweest om uit te trekken dat haar herinnerde aan wat er was gebeurd.
Met een luie blik keek ze op het wekkertje naast haar bed. Half twee. Ze moest maar eens opstaan en gaan douchen. Ze rekte zich uit en kroop langzaam uit bed. Het overhemd rook nog steeds naar man, en nu wist ze welke man. Ze moest zich inhouden om er niet aan te gaan ruiken. Deze gedachtes moest ze beslist kwijtraken. Dit was het meest walgelijke dat ze ooit gedaan had.
“Je gaat nu douchen,” zei ze tegen zichzelf en vastberaden pakte ze een schone handdoek van haar tafel en liep haar kamer uit. Het was gelukkig stil op de gang en zo subtiel als ze kon liep ze naar de douches. Op haar verdieping hadden ze drie douches die ze moesten delen. Het was eigenlijk alleen ’s morgens druk en daarom had ze nu heerlijk het rijk voor zich alleen.
Zuchtend legde ze haar grote handdoek op het rekje, deed ze de deur op slot en draaide ze de warme kraan open. Meteen werd ze gekalmeerd door de warme stoom die het hete water produceerde. Deze douche gaf haar het gevoel compleet veilig te zijn, met zijn donkergele tegeltjes en de warmte die er altijd aanwezig leek. Vluchtig deed ze het overhemd uit, ze wilde het verscheuren, verbranden en nooit meer terugzien. Ze draaide de koude kraan een beetje open en voelde met haar rechterhand of het water al een aangename temperatuur had gekregen.
Zodra ze het water warm genoeg achtte, stapte ze er met haar naakte lichaam onder. De warme stralen van de douche warmden haar weer een beetje op, ze had al die tijd zo kil aangevoeld. Ze wilde eigenlijk nog dichter onder de douche kruipen. Ze had die warmte, die geborgenheid zo nodig. Opeens barstte ze in tranen uit. Ze voelde zich zo onzeker en verward. Ze wist niet eens wat ze überhaupt gedaan had. Al huilend leunde ze tegen de muur en liet haar verzwakte lichaam naar beneden zakken. Plots keek ze geschrokken op, met haar gezicht recht in de waterstralen. Wat als ze zwanger was? Ze beet op haar wijsvinger. Alles had ze weer stukgemaakt, alles! Was ze net bezig met haar leven te beteren, moest ze zich weer zo nodig bezatten en bij een man in bed eindigen.
Alhoewel, ze wist niet zeker dat ze wel iets gedaan had. Misschien had hij zich alleen over haar ontfermd. Beslist schudde ze haar hoofd. Dat kon niet, zo zat niemand vandaag de dag in elkaar en mannen al helemaal niet. Maar als ze echt met hem naar bed was geweest, dat zou ze dat toch wel moeten voelen? Als onbevlekte maagd zou ze er zeker pijn van hebben, toch? Zachtjes bevoelde ze haar schaamlippen, maar er leek niets veranderd te zijn. Misschien werkte de alcohol wel als een verdovend middel. Ze wist het niet meer. Rationeel denken was op dit moment een verloren gedachtegoed. Ze moest en zou een soort zekerheid hebben. Ze behoorde toch te weten wat er was gebeurd? Anders zou ze nooit meer verder kunnen.
Maar ze was bang. Al haar hele leven was ze weggelopen voor haar problemen, net als toen. Ze was niet op haar probleem afgestapt en had het dapper in de ogen gekeken. Nee, ze was achterbaks en woedend een wraakactie gaan plannen. Wraak resulteert nooit in een goede afloop, het is puur en alleen voor het genot van de wreker. Daar was ze nu ook wel achtergekomen. Maar toch kon ze haar hele denkwijze niet veranderen. Als ze niet durfde, dan deed ze het niet.
Zo was het ooit begonnen bij de gymlessen toen ze als klein meisje het grote klimrek had moeten beklimmen. Ze sloot zich dan liever de hele les op het toilet op dan haar angsten onder ogen te moeten zien. En zo was het haar hele leven verdergegaan.
Hier in deze douche was ze veilig. Hier kon niemand haar wat aandoen. Hier was ze tot niets verplicht. Ze moest niets. Ze moest nadenken, ze moest beslissen wat het beste zou zijn. Maar dat zou ze rustig doen, op haar eigen tempo en op haar eigen manier.
Langzaam stond ze weer op. Ze greep naar de shampoo op de toilettafel en begon teder haar haar te wassen.
Ze had ook haar kleren bij hem laten liggen. Die zou hij wel teruggeven, bedacht ze tot haar spijt. Het was zeker dom geweest om zomaar weg te rennen, maar daar achterblijven en het risico lopen om door hem geconfronteerd te worden was een te beangstigende gedachte. Weer zuchtte ze. Het had haar zo verward. Zometeen zou ze alles opschrijven om het wat op te helderen. En een zwangerschapstest halen, piepte het angstigste stemmetje in haar hoofd. Maar het was zondag, dus dat kon niet. Die test werkte toch nog niet, het was te kort geleden geweest.
Ze slikte de pil al jaren niet meer. Ooit was ze ermee begonnen, tegen haar jeugdige acné. Maar er was niets mee verloren als ze hem niet meer slikte, dat had ze in ieder geval gedacht. Als er een ding op de hele wereld was waar ze een grote afkeer jegens had, waren het kinderen. Het was dus ook wel zo logisch dat zij nooit moeder wilde worden. Vroeger hadden klasgenoten haar vriendelijk toegelachen en gezegd dat ze haar later nog wel eens wilden zien. Collectief meenden ze dan dat zij vast heel veel kinderen zou krijgen. De reinste onzin natuurlijk, dat had ze toen ook al gezegd. Maar geloven deden ze het natuurlijk niet.
En nu stond ze hier onder de douche als een wrak. Als een meisje met een kater een zwart gat in haar hoofd. Als een meisje dat misschien bezwangerd was door een man die ze absoluut nooit als bedpartner wilde erkennen. Als ze zich nou toch maar kon herinneren wat er gebeurd was, dan zou het leed al deels verzacht zijn. Maar nu stresste ze over dingen die misschien gebeurd waren, zonder te weten wat er nou werkelijk plaats had gevonden.

Kreunend was hij wakker geworden, een moment was hij gedesoriënteerd geweest. Zodra hij besefte dat hij op de bank lag, dacht hij meteen aan haar. Aan hoe slecht ze eraan toe was geweest de vorige avond en hoe ze praktisch in zijn armen flauw was gevallen.
Ze had in zijn bed mogen slapen. Met moeite had hij haar van haar bezwete spullen ontdaan, om haar vervolgens in een van zijn overhemden te kleden. Hij hoopte dat ze goed geslapen had. En dat ze niet kwaad op hem zou zijn, haar kennende.
Hij rekte zich uit en stond op van de bank. Zachtjes sloop hij naar zijn slaapkamer, hij wilde haar niet wakker maken. Ze zou nog wel de halve dag moeten slapen om een beetje van de gevolgen van haar grootschalige whiskeyconsumptie af te komen. De poes kwam op hem afrennen, miauwend en al.
“Ssst, stil zijn poesje,” suste hij zijn geliefde huisdier. Ze zou zijn logé toch niet al gewekt hebben? Langzaam deed hij de slaapkamerdeur open.
“Shit!” riep hij zodra hij oog in oog stond met zijn vetrouwde bed, volledig leeg. Haar kleren lagen nog op zijn stoel, waar hij het gisternacht nog neergelegd had. Waar kon ze heen zijn? Was ze zomaar de straat opgerend, zonder kleren, zonder iets te zeggen?


Vertwijfeld staarde ze naar haar zwarte schoentjes die meer leken te veranderen bij iedere stap die ze zette. Het was nu vijf dagen geleden en vandaag had ze vroeg naar college gemoeten. Er waren geen excusen meer waar ze zich achter had kunnen verschuilen, dus was ze dapper naar de universiteit gegaan. De hele dag liep ze als een soort opgejaagd stuk wild over haar schouder te kijken, alsof hij op iedere hoek van de straat kon staan. Ontlopen was simpelweg haar tweede natuur; ze was bekend met het sluipend lopen, het niet opgemerkt worden door haar omgeving. Ook nu terwijl ze op weg was naar de drogisterij deed ze het weer. Met het hoofd gebogen liep ze straatsteentjes te tellen. Niet te onopvallend willen zijn was ook belangrijk, want dan keken ze juist naar je en gingen ze zich dingen afvragen. Nee, zij had na veel oefening de perfecte balans tussen onopvallendheid en opvallendheid gevonden.
Voor haar doemde de kleurrijke winkel op waar ze zo vaak was geweest om haar vertrouwde schoonheids boodschapjes te doen. Vroeger deed ze dat nog vaak met vriendinnen, even langs de drogist om gewoon te snuffelen. Maar nu had ze niet zoveel vrienden meer. Het was haar eigen schuld geweest, ze had iedereen van zich af geduwd en weggejaagd, toen het was gebeurd. Ze had niet tegen de goedbedoelde bezoekjes en praatjes gekund. Geen van allen kon haar immer echt verstaan, niemand kon begrijpen waar ze het zo moeilijk mee had. Want ze vertelde het aan geen levende ziel. Logisch dat niemand meer met haar om wilde gaan. Maar nu ging het weer beter. Nu kon ze haar leven weer opbouwen en zou ze weer vriendschappen kunnen sluiten.
Tenminste, als ze nu haar persoonlijke obstakel kon overwinnen. Dagen had ze liggen twijfelen over die nacht, wat er gebeurd kon zijn, maar het kwam niet terug. Hoe ze ook dacht en haar hersens pijnigde, hoe minder ze zich ervan leek de herinneren. Dus had ze definitief een besluit genomen: ze ging die test halen. Als er niks aan de hand was, was er niks aan de hand. Als er wel iets aan de hand was, kon ze er meteen wat aan laten doen en zou ze uiteindelijk weer vrolijk verder kunnen leven. Een afsluiting had ze nodig, een streep om onder het geheel te zetten.
Met een flauwe glimlach op de lippen stapte ze de winkel binnen. Shampoo was het eerste dat ze zag, rijen en rekken met uitdagende flessen shampoo. Daar was ze hier niet voor. Met onzekere stappen vond ze haar weg naar de hoek waar ook de zwangerschapstesten lagen. Zoekend keek ze naar de verschillende doosjes. Welke moest ze nou hebben? Bijtend op haar lip pakte ze uiteindelijk maar het doosje dat er het meest betrouwbaar uitzag. Gelukkig was het niet zo druk, dan hoefde ze niet met haar gespannen lichaam minuten lang in de rij staan.
Met een zucht van verlichting gaf ze de cassière het blauwe doosje aan.
“Dat is dan dertien euro negenenvijftig.”
“Alsjeblieft.” Het had haar handiger geleken om cash te betalen.
“Wil je er een tasje bij?”
Ze schudde haar hoofd en keek naar haar schoudertas die ruimte genoeg bood voor dit kleine pakketje.
“Tot ziens,” zei ze vriendelijk en liep, al worstelend met het doosje in haar handen, de winkel uit.
Ze probeerde haar adem zo regelmatig als het maar kon te reguleren, wat haar verassend genoeg wel bleek te lukken. Ze trok de met klittenband bevestigde bovenkant van haar tas; het was niet zo’n aantrekkelijk idee om constant met een zwangerschapstest in haar handen te lopen. Niet heel Leuven hoefde kennis te nemen van haar desastreuze overnachtingsperikelen.
En opeens stond hij voor haar, zonder dat ze het had zien komen. Geen woord, geen waarschuwing, zelfs geen zacht geluid. Haar hersenfuncties vielen spontaan uit en naar adem happend keek ze hem aan. Rustig blijven, zei ze tegen zichzelf. Normaal doen.
“Ik heb je gezocht,” zei hij.
“Sorry.” Onverbiddelijk viel opeens zijn blik op het verwaarloosde doosje in haar handen. Hij leek even te twijfelen.
“Je-je, denkt toch niet dat-?” Fronzend en vragend keek ze hem aan.
“Wat denk je nou? Dat ik zo makkelijk te manipuleren ben?” barstte ze los. Hij haalde zijn handen uit zijn zakken.
“Roos, ik weet niet wat jij allemaal wel niet van mij denkt, maar zoiets-,” hij gebaarde naar de test,” zoiets is gewoonweg verwerpelijk.”
“Jaja, dat zeggen ze allemaal, maar ondertussen.” Ze stopte het doosje weg in haar tas.
“Dat moet jij zeggen! Jij was opeens weg, ik was doodongerust! Je kleren lagen er nog, geen briefje, niks!” Zijn rechterhand had hij weer in de zak van zijn spijkerbroek gestoken.
“Alsof jij me kent, alsof je überhaupt het recht hebt om te weten wat ik doe!”
Hij deed een stap naar voren. “Jij geeft mensen niet eens een kans, je laat niemand toe in je leven. Hoe kan ik je dan kennen?”
“Oh, gaan we weer eens over de psychologische boeg gooien?” ze wierp hem een woedende blik toe,” Je doet maar, maar zonder mij!”
En weg was ze.
Zuchtend keek hij haar na, het getik van haar schoenen als eeuwig voortdurende klok. Bijna was ze uit zijn zicht verdwenen, maar ze leek plots stil te staan. Heel even duurde het maar, toen weerklonk het getik van haar hakjes. Maar nu werkte het steeds zachter wordende getik als een soort wekker. Hij hief zijn hoofd op en zag nog net haar haar, voordat het achter een rij huizen verdween.
De wekker in zijn hoofd ging af. Hij moest nu iets doen, anders zou het te laat zijn.
Hij sprong op en begon te rennen, over het plein, langs de eik en uiteindelijk de hoek om. De straatstenen tussen zijn voeten leken bij iedere stap meer in elkaar over te lopen, de hele straat leek plots wel een grote steen. Maar hij moest doorrennen. Daar was ze al, met haar blonde staart enthousiast in de wind wapperend.
Hij moest zich inhouden om haar niet te roepen, maar nu was ze al binnen zijn bereik. Hij hield zijn pas in om wat op adem te komen. Toen strekte hij zijn rechterarm uit en pakte haar voorzichtig vast. Hij voelde hoe ze verstijfde.
“Wat?” vroeg ze overduidelijk geïrriteerd. Hij pakte haar nu bij beide bovenarmen vast en draaide haar naar zich toe. Wat onwillig keek ze hem aan.
“Wat wil je nou?” Ze probeerde zich loswurmen uit zijn ferme, doch zachte grip. Waarom liet hij haar nou niet met rust? Ze had het zonder zijn bemoeienis al moeilijk genoeg.
“Het.” En voordat ze ook maar iets kon bevatten, had hij zijn lippen al vluchtig op de hare gedrukt. Zonder te weten wat ze deed, ontweek ze zijn zoen niet. Ergens schreeuwde een stem dat het belachelijk was wat ze aan het doen was, maar het gevoel was te bevredigend. Ze moest wegstappen en rennen, maar ze wilde het niet. Haar hele lichaam had hier al zo lang om geschreeuwd en nu lieten haar zintuigen hem niet meer gaan. Gevangen in haar web van verlangens.
“Stop!” ze stapte achteruit en duwde hem van zich af. Onschuldig keek hij haar aan; zijn ogen smeekten om meer. Maar ze kon het niet. “Nee.” Ze draaide zich om en liep.
Gekwetst beet hij op zijn lip. Overmorgen zou ze weer komen.


Er werd op de deur geklopt. Met een rozige blos van inspanning op zijn wangen keek hij op van zijn schrijfwerk. Hij wierp een blik op de klok, het was nog geen tijd voor zijn volgende consult.
“Binnen.”
“Robin? Stoor ik?” Het was Roos, ze keek wat verlegen om het hoekje van de deur. Onbewust begon hij te glimlachen.
“Tuurlijk,” zei hij en stond op. Met zijn armen probeerde hij naar een stoel te begeleiden, maar ze bleef onwennig midden in de kamer staan.
“Sorry dat ik zo lastig ben, maar voor de eerste keer sinds heel lang heb ik het gevoel dat ik het moet vertellen.” Vol schaamte boog ze haar hoofd naar de vloer, naar de donkergrijze vloerbedekking.
“Ga zitten.” Hij schoof een stoel naar achteren en ging zelf weer achter het bureau zitten. Wat houterig nam ze plaats op de andere stoel. Ze legde haar armen op tafel en vouwde haar handen in elkaar. Nog een keer zuchtte ze diep.
“Het slaat helemaal nergens op, maar ik behoor het toch een keer aan iemand te vertellen.”
“Ga je gang,” knikte hij haar toe.
“Die psychologe, Inge heette ze, van wie ik dat geld heb genomen. Daar zit een soort van verhaal achter.” Onzeker en blozend keek ze hem aan. Dit was fout. Ze vertelde iets heel doms, hij lachte haar uit. Hij vond het vast belachelijk.
“Het is al goed, ga verder,” probeerde hij haar te stimuleren.
Inge was vriendelijk geweest en had alles zo goed begrepen, het leek net alsof ze haar al jaren had gekend. Urenlang kon ze haar hart bij haar uitstorten. Ze vertelde over Pieter en over hoe gelukkig hij haar eerst had gemaakt, totdat hij er vandoor ging met die kerel natuurlijk. En voordat ze het had geweten, was ze verliefd op haar geworden. Zonder dat ze het had gewild natuurlijk, maar nu ze eenmaal in de valkuil der liefde was gevallen, was er geen weg terug. Steeds vaker was ze langsgekomen, steeds meer hadden ze gepraat. Inge had haar zelfs uitgenodigd voor een zomers diner, bij haar thuis nog wel. Maar ze bleek getrouwd en opgezadeld met twee kinderen. En dat terwijl zijzelf zo’n hekel aan kinderen had. Nooit meer had ze bij Inge thuis willen komen.
Totdat ze haar had gezoend, die ene dag. Het was de allermooiste zomerdag in Juni geweest, de zon had geschenen en de vogels hadden nog nooit zo uitbunding hun mooiste liederen ten gehore gebracht. Verlamd had ze minutenlang staan kijken naar het gezicht, naar de lippen die haar net gezoend hadden. Ze kon het niet begrijpen. Waarom had ze dat gedaan?
Omdat ze van haar hield, zei Inge. Ze beloofde haar liefde, geluk en al het andere dat je iemand kon beloven. Gedrogeerd had ze de daar opvolgende weken doorgeploeterd, alleen maar verlangend naar haar. Alles zou goed komen, had Inge gezegd, ze zou bij haar man weggaan. Ze hield immers van haar en niet van die man waarmee ze jaren geleden in het huwelijk was getreden. Voor de eerste keer in haar leven leek het alsof Roos dan toch gelukkig was.
“Maar-maar, ik was natuurlijk gewoon hartstikke dom bezig. Hoe had ik ooit van zo’n mooie en knappe vrouw kunnen verwachten dat ze alles op zou geven en van mij zou houden?” Alle gevoelens leken terug te komen. Ze voelde weer de pijn, het verraad en de woede. En het verdriet, het diepgewortelde gevoel van pure zieligheid. Langzaam begonnen de tranen weer op te wellen. Snel greep ze een zakdoekje uit haar tas als voorzorgsmaatregel.
Als Robin geen psycholoog was geweest, was hij geschrokken.
“Nouja, ze bleef dus gewoon bij haar man en probeerde mij gewoon aan een lijntje te houden. Toen heb ik besloten om haar op een bepaalde manier te straffen. Dat geld was een beetje zwak, ik had haar écht moeten raken. Maar toen leek het een goed idee.” Met een gevoel van lichte voldoening zuchtte ze. Alles had ze verteld, het was er eindelijk uit.
Het leek eerst alsof hij niets wist te zeggen. “Dat is inderdaad nogal een verhaal, maar je moet je natuurlijk wel realiseren dat niet iedereen zo in elkaar zit als zij.”
Ze pufte. “Veel wel.”
“Misschien veel, maar dat is nog lang niet iedereen.”
“Wat jij wilt.”
“Roos, je moet niet denken dat er alleen maar slechte mensen rondlopen die je pijn willen doen. Je moet durven leven en daarbij hoort het nemen van risico’s. Sterker nog, er is niets waar geen risico aan verbonden is. Het leven is een aaneenschakeling van moeilijke keuzes, maar je moet ze wel durven maken. Dat is belangrijk. Echt. Geloof me nou maar,” hij lachte haar toe toen hij haar semi-onverschilligheid opmerkte. “Durf me te geloven.”
Ze frunnikte aan de rits van haar tas. Hij mocht het wel zo mooi verwoorden, maar toepassen is iets heel anders dan bedenken. Hij wist niet hoe moeilijk zoiets kon zijn.
“Ik moet maar eens gaan,” zei ze zachtjes en stond op. Ze was de deur al uit toen hij riep.
“Hier, dit is nog van jou,” fluisterde hij en duwde een stoffen tasje in haar handen.


Met haar beige jasje aan baande ze zich een weg door de straten. Het was prettig weer, de zon was al aan het ondergaan en het rook overal heerlijk. Er was een onzichtbare kracht die haar leek te dwingen bij iedere hoek even stil te staan en te genieten. Toch wilde ze naar haar kamer, ze wilde naar haar eigen thuis. Lekker vroeg in bed gaan liggen en genieten van een boek. Ze had beslist wat afleiding nodig. Gemakshalve was ze al bijna thuis, haar omweg had haar toch snel naar huis geleid.
Sinds ze hem over Inge had verteld, had ze zich veel beter gevoeld. Wel beter, maar nog niet goed. Het was moeilijk voor haar om de dingen anders te gaan zien. Maar ze moest en zou vrij raken van haar herinneringen. De test had ze niet gedaan, verloren lag het blauwe doosje ergens op haar bureau. Een vergeten souvenir van een reis die ze helemaal niet had gemaakt.
Ze lichtte haar kussen op en haalde er haar pyjama onder vandaan. Het was een groot wit shirt met een wijde hals waardoor ze altijd met blote schouders sliep. Het leek eigenlijk net op een jurk als ze het aanhad. Bewonderend ging ze voor de spiegel staan. Ze was nog niet eens zo dik of lelijk, bedacht ze toen ze haar hoofd op haar blote schouder liet rusten. Plots leek haar blik gevangen door haar buik. Zachtjes aaide ze erover heen. Ze had nooit kunnen leven met een kind, ze haatte kinderen. En de vader, de man. Ze schudde heftig haar hoofd. Ze kon en wilde simpelweg niet in zo’n onaards en abstract verschijnsel als liefde geloven. Nog nooit had ze werkelijk het echte gevoel van liefde kunnen ervaren, zonder bang te zijn dat er op een bepaald moment een einde aan het geheel zou komen.
“Ja.” Opeens leek ze iets te snappen. “Durven geloven.” Ze sprong op, greep naar haar schoenen en rende haar kamer uit.
Buiten regende het hard. Ze leek het niet op te merken, ze moest rennen, ze moest ergens heen. Het was ondanks de regen niet echt koud, alhoewel de rillingen over haar natte rug liepen. Toch trok ze zich er niets van aan. Dit was iets wat nu moest gebeuren.
Hijgend hield ze stil voor een ouderwets huis. De deur was dicht en dwong haar op de kaartjes naast de verschillende belknopjes te kijken. “Aha,” mompelde ze zodra ze de gewenste naam zag staan. Met haar wijsvinger drukte ze onafgebroken op de bel naast ‘Ibens’.
“Ja?” klonk er uit de luidspreker.
“Ik ben het,” fluisterde ze. Idioot eigenlijk dat ze niet gewoon haar naam zei. Alsof hij haar stem zou herkennen. Dan zou hij vragen wie ze was en wat ze hier in hemelsnaam deed. Maar het gebeurde niet. Het werd stil aan de andere kant van het luidsprekertje.
“Robin?” Er kwam geen reactie. Teneergeslagen draaide ze haar hoofd om. Ze had het kunnen weten, het kon hem werkelijk niks schelen. Hij was een echte professionele psycholoog geweest, een echte man.
“Roos?” Geschrokken draaide ze zich om. In de deuropening stond hij. Halfaangekleed en vragend. Op dit moment kon ze zich geen perfecter iemand voorstellen. De regendruppels vielen nog steeds gestaag op haar koude vochtige lichaam. Als hij niet uitkeek, zou hij ook nat worden.
“Ik weet het,” zei ze en liep op hem af,” durven geloven.” Het regende nog, haar shirt was doorweekt geworden en haar haar hing in lange natte slierten om haar gezicht. Hij deed een stap naar voren en pakte haar beet om haar middel. Zachtjes trok hij haar naar zich toe.
“Ik durf het. Ik geloof,” mompelde ze terwijl ze haar hoofd diep wegdrukte in zijn lichaam. Ze rook hem weer, de vertrouwde mannelijke geur. Ze was thuis.
“Ik geloof je,” fluisterde hij en kuste haar op haar hoofd.



9.846 woorden. ©
9 Januari 2004 voltooid.
11 Januari 2004 aangepast.

Opmerkingen

De ‘beige jas’ is een thematisch wederkerend voorwerp.


Geschreven met behulp van:
Wouter Buikstra en Renée Zijlstra.
‘1,2,3,4 Alive’ van Special D.
‘Come with me’ van Special D.
‘Fly on the wings of love’ van de Olsen Brothers.

Research:
Bureau Dialoog te Leuven. (Bestaat werkelijk, ook met de AGM afdeling, Alternatieve Gerechtelijke Maatregelen.)

woensdag, januari 7

Homo

Het was Dennis die het had geroepen, zich op dat moment nog onbewust van de gevolgen van zijn gemoedsuiting. Misschien had hij het zelfs goed bedoeld, maar zodra hij het woord zijn mond hoorde verlaten, wist hij dat het te laat was. Hij had het onbespreekbare besproken, hij had het onaanraakbare aangeraakt.
Joost stond daar maar, schuldig van het zogenaamde misdrijf, door Dennis boven tafel gehaald. Hij wilde zich niet slecht voelen, want hij had zichzelf geaccepteerd, hij was zoals hij was. In zijn eigen ogen was hij net zo gewoon zijn als de rest. Maar voor hem was alles logischerwijze anders, hij leefde niet in de wereld waar al zijn vrienden van genoten. Dit moment, deze precieze seconde was een cruciaal punt voor de rest van zijn leven. Moest hij liegen, zijn eigen persoonlijkheid verraden en voortleven zoals iedereen het liever zag? Of moest hij het moeilijke, maar eerlijke pad kiezen en zichzelf trouw blijven? Het was een te zware keuze om in deze nanoseconden te maken. Joost staarde maar voor zich uit, hij voelde de hitte van zijn lichaam naar zijn hoofd trekken, kleine zweetdruppeltjes op zijn slapen vormend.
Hij was een jaar of zeventien, toen hij zijn eerste openbaring had gekregen. Al zijn hele leven had hij zijn eigen gevoelens genormaliseerd; je gaat er als kind altijd vanuit dan jouw visie de juiste is. Maar de laatste jaren begon er iets te dagen. Er was iets anders aan hem, maar hij kon er niet precies zijn vinger op leggen. Dus leefde hij jaren in onverschilligheid, onwetend van wat hem eigenlijk bezighield. Tot die dag aanbrak waarop Pieter ten tonele verscheen. In zijn jeugd had Joost een speciale vorm van respect voor mannen gehad, maar nu hij zijn jonge aardrijkskunde leraar zag en zulke diepe en onverklaarbare gevoelens de kop opstaken, wist hij dat het iets anders was geweest.
Hij viel gewoon op mannen.
Stiekempjes en met behulp van vele ingenieuze smoesjes spande hij zich tot zijn uiterste in voor zijn nieuwe lievelingsvak: aardrijkskunde. Half had hij zijn eigen gevoelens erkend, hij wist dat hij iets speciaals voelde voor Pieter, maar echt bewust handelen met 'liefde' in zijn achterhoofd kon hij nog niet. Hij genoot gewoon van deze weken van aandacht, intensieve studie en stilletjes beminnend naar zijn leraar starend.
Natuurlijk vond hij het vreemd. Twee mannen, wie vond dat nou niet vreemd? En Pieter, hij was een 24-jarige jongeman, zo'n type dat het altijd wel goed deed bij de dames, een echt schatje. Niet iemand om dus zomaar 'homo' te zijn. Joost dacht in het geniep wel zo liefkozend over Pieter, maar toegeven kon hij gewoon nog niet. Hij had veel tijd nodig om zijn eigen gevoelens te verwerken. Hij was al zijn hele leven zo geweest, maar nu pas kreeg hij de gevolgen van het begrip op zijn bordje.
In het felle daglicht ging zijn leven onveranderlijk voort. Hij ging uit met zijn vrienden, leerde voor zijn toetsen, sportte bij zijn volleybalvereniging en ging iedere dag naar school. Alles leek hetzelfde te zijn gebleven. En dat was het ook, behalve in Joost’s gedachten. Soms bestrafte hij zichzelf wel eens, als zijn fantasieën te ver gingen. Want hij was en bleef een man, geen mietje, ookal had hij van zulke gekke gevoelens. Als hij een meisje was geweest had hij het misschien wel verteld, maar als jongen lagen de zaken rondom homoseksualiteit heel anders. Mannen waren gemaakt om macho te zijn, om op te scheppen en om zo cool mogelijk over te komen. Het doel van zijn bestaan was dus niet het ongestoord en romantiserend naar zijn leraar staren.
Zijn beste vrienden zouden het vast wel begrijpen en zelfs zijn ouders zouden niet kwaad worden, daarvan was Joost overtuigd. Maar toch durfde hij de stap niet te nemen. Waar was het überhaupt ook voor nodig? Het was nou niet alsof hij zich in een relatie bevond. Hij had alleen maar zijn leraar lief. Niemand die eronder leed, behalve hijzelf.
En nu was vandaag het onvermijdelijke gebeurd. Hij was weer eens achtergebleven met aardrijkskunde, om de atlassen op te ruimen en om wat dingen aan Pieter te vragen. In de laatste maanden waren ze best goed bevriend geraakt, ze bleken heel erg op elkaar te lijken, tot grote vreugde van Joost. Hij had nooit kunnen geloven dat er iemand out there was die zoveel op hem leek, iemand die zo perfect voor hem was. Joost had aan Pieter was informatie over de studie Geografie aan de Universiteit van Utrecht gevraagd en Pieter had vele brochures en blaadjes uit zijn kast gevist.
"Hier, dit zijn de specialisatiemogelijkheden," zei Pieter en hij wees naar een kleurig kader waarin een lange lijst met opties stond aangegeven. Joost knikte beleefd en nam het boekje over van Pieter.
"Hmm," verzuchtte hij.
"Niet echt wat je zoekt?"
"Ja-jawel, maar ik weet het gewoon nog niet echt."
Pieter glimlachte en gaf Joost een schouderklopje. Joost werd warm van binnen en beet op zijn lip om zichzelf zoveel mogelijk in te houden.
"Hé Joost, je zit toch niet ergens mee?"
Joost schudde verwoed zijn hoofd. "Nee, nee."
"Want ik mag dan misschien niet je mentor zijn, maar je kan altijd bij me terecht."
Joost kromp ineen. De laatste tijd was het zo goed gegaan, hij had echt het gevoel gehad dat hij en Pieter een bijzondere relatie hadden, niet zomaar leraar en leerling. Maar nu kleineerde Pieter hem zo, door op een pedagogische methode het gesprek voort te zetten. Joost wilde heel hard wegrennen en nooit meer terugkomen.
Joost stond op, pakte zijn tas en wilde het lokaal verlaten.
"Hee Joost, ga je nu al weg?"
"Ja, euhm, sorry, ik moet de bus halen." Dom, dom Joost. Je woont hier in het dorp, je gaat nooit met de bus.
"Ow," zei Pieter zachtjes, maar Joost was al op de gang. Hij wilde zo snel mogelijk weg. Hij voelde zich opeens zo slecht en verward. Hij verlangde naar iemand waar hij mee kon praten.
Geheel overstuur liep hij op zijn fiets af en opende zo snel het kon zijn slot.
"Joost!" Het was de stem van Dennis, een van Joost zijn beste vrienden. Joost wilde liever Dennis negeren en stilletjes naar huis fietsen, maar hij wist dat hij er niet onderuit kon.
"Joost, wat is er met jou aan de hand? Je ziet eruit alsof je het meest verschrikkelijke ooit hebt gezien," brabbelde Dennis verder.
"Hmm, ja, zoiets." Joost was ondertussen al aan het fietsen en Dennis volgde zijn vriend snel op.
"Zo, vertel het maar, ik zie dat je iets kwijt wilt," zei Dennis begripvol.
Joost grinnikte. Hoe ironisch. Hij wilde helemaal niks kwijt, hij wilde gewoon weg.
"Nee, niks, ik ben gewoon overstuur."
"Oeh Joost, worden we opeens gevoelig? Homo!"
Dat was het geweest. Precies dat moment. Dennis had het woord uitgesproken, gezegd wat Joost al jaren dacht. Het was een grapje geweest, een clichè lolletje, al zo vaak belachen en bespot dat het bijna niet bijzonder meer was. Maar nu op dit moment betekende het zoveel voor Joost. Deze minuut was de belichaming van Joost’s verleden, heden en toekomst.
Dat dit woord, van Griekse oorsprong en zo simpel, zo veel aan iemands leven kan veranderen. Het woord was nu vrij. Uitgesproken en al. Trots en fier vloog het rond, de rondingen glimmend en de rechte lijnen stijlvol. Alleen het woord leek al perfect. En nu wist Joost het. Hij was voorbij de schaamte, hij hoefde zich niet meer te verstoppen. Acceptatie was het sleutelwoord.
Hij was Joost. En Joost was homo.

1.259 woorden. © Roos 2003.